Font size
Worksheetswerkwoorden tt, vt, vd
Total questions: 49
Worksheet time: 2hrs 52mins
Hij ......................... op straat.
Willem lachte het hartst om de grap.
Jullie hebben alle vragen goed!
Jan (vinden) Gent een mooie stad.
Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?
De zin vragend maken, pv komt vooraan.
De zin in een andere tijd zetten, pv verandert mee.
De zin in enkelvoud of meervoud zetten, pv verandert mee.
Alle opties zijn goed
Hoe vind je het onderwerp in een zin?
Wie of wat + alle werkwoorden?
Wie of wat + de persoonsvorm?
Alle opties zijn goed
Het onderwerp is altijd onderstreept
Wanneer gebruik je de tegenwoordige tijd?
Als iets nu gebeurt
Als iets later gebeurt
Als iets al voorbij is
Als iets nu gebeurt en als iets later gebeurt
Wat is een sterk werkwoord?
Woorden zoals 'kracht, gewichtheffen en bodybuilding'
Een werkwoord krijgt een andere klank in de verleden tijd
Een werkwoord kan niet in de verleden tijd worden gezet
Sterke werkwoorden bestaan niet
Hoe weet je hoe je een sterk werkwoord schrijft?
't ex-kofschip
Langer maken
Dit moet je onthouden
Sterke werkwoorden schrijf je net als zwakke werkwoorden
Hoe maak je de stam van een werkwoord?
-en van het hele werkwoord afhalen
't ex-kofschip gebruiken
Het werkwoord langer te maken
Het werkwoord vooraan de zin te zetten
Waar kun je 't ex-kofschip voor gebruiken?
Als je niet weet of de persoonsvorm met -de(n) of -te(n) geschreven moet worden
Als je niet weet hoe je een sterk werkwoord schrijft
Als het werkwoord in het meervoud staat
Als er meerdere werkwoorden in de zin staan
Tegenwoordige tijd
Zij (lezen) ... voor uit het spannende boek.
leesden
lees
lezen
leest
Verleden tijd
We (mixen) ... de melk door de meel.
mixen
mixten
mixden
mixte
Verleden tijd
Ten slotte (toevoegen) ......... we eieren .......
voegte ... toe
voegen ... toe
voegde ... toe
voegden ... toe
Verleden tijd
De smaak (verrassen) ..... me heel erg.
verraste
verraste
verrastte
verrasste
Tegenwoordige tijd
Bas (vinden) ... Amsterdam een mooie stad.
vind
vindt
vinden
vint
Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?
De kat zit in de boom.
De kat zat in de boom.
Verleden tijd
De klas (zwemmen) ... in een mooi zwembad.
zwommen
zwom
zwemde
zwemte
Verleden tijd
Toen moeder riep, (haasten) ... we ons naar huis.
haasten
haastten
haastte
haaste
Verleden tijd
Het verlegen kind (durven) ... niet binnen komen.
durvde
durfte
durfden
durfde
Tegenwoordige tijd
Kristine (feliciteren) ... hem voor zijn verjaardag.
felicetert
feliciteert
feliciteer
feliciteerde
Verleden tijd
Maar even later (verdwijnen) ...... de ruzie als vanzelf.
verwijnt
verdwijnde
verdween
verdwenen
Verleden tijd
Het meisje (beantwoorden) ... die vraag ontzetten snel.
beantwoorden
beantwoordden
beantwoordde
beantwoorde
Tegenwoordige tijd
(worden) ... je ook gek van deze quiz?
Worden
Wordt
Word
Wort
Tegenwoordige tijd
Hij (branden) ... zijn vinger aan de hete pan.
Branden
Brand
Brandt
Brant
De directeur bewondert Rafael.
voetballen
gebeuren
mixen
Wij vieren vandaag de verjaardag van juf.
Gisteren ………………… mijn tante het eten voor ons.(bereiden)
bereidde
bereide
Ze kookt alleen maar …………………. Maaltijden.(verantwoorden)
verantwoorde
verantwoordde
Zij ………………… de ingrediënten altijd bij een speciale winkel.(bestellen)
bestelt
besteld
Toen heeft mijn oom ………………... om patat te gaan halen.(besloten)
besloten
beslooten
Lopen. Ik heb de marathon……...
gelopen
geloopt
geloopen
Zwemmen. Gisteren heeft zij haar eerste wedstrijd...…...
gezwemd
gezwommen
gezwemmen
Schaatsen. Vorige winter heb ik niet veel...….
geschaatst
geschaatsd
geschaatsen
Winnen. Ik heb deze quiz...…..
gewonnen
gewint
gewind
