wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

werkwoorden tt, vt, vd

Total questions: 49

Worksheet time: 2hrs 52mins

Name
Class
Date
1.
Een woord dat je kunt doen of wat gebeurt is een...?
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
voorzetsel
d)
werkwoord
2.
Welk woord is een werkwoord?
a)
hond
b)
van
c)
zitten
d)
de
3.
Vul de juiste vorm van het werkwoord in.
Hij ......................... op straat.
a)
loopt
b)
loop
c)
lopen
d)
gelopen
4.
Staat deze zin in de tegenwoordige tijd of de verleden tijd.
Willem lachte het hartst om de grap.
a)
Tegenwoordige tijd
b)
Verleden tijd
5.
Staat deze zin in de tegenwoordige tijd of de verleden tijd.
Jullie hebben alle vragen goed!
a)
Tegenwoordige tijd
b)
Verleden tijd
6.
Vul de juiste vorm van de tegenwoordige tijd in.
Jan (vinden) Gent een mooie stad.
a)
vind
b)
vindt
c)
vinden
d)
vint
7.
(Worden) je ook gek van dat werkje?
a)
Worden
b)
Wordt
c)
Word
d)
Wort
8.
(Vinden) je zus deze jurk ook zo mooi?
a)
Vind
b)
Vint
c)
Vindt
d)
Vinden
9.
Het vuur (branden) de hele dag.
a)
branden
b)
brand
c)
brandt
d)
brant
10.
(Worden) jij de volgende kampioen?
a)
Wordt
b)
Word
c)
Worden
d)
Wort
11.

Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?

a)

De zin vragend maken, pv komt vooraan.

b)

De zin in een andere tijd zetten, pv verandert mee.

c)

De zin in enkelvoud of meervoud zetten, pv verandert mee.

d)

Alle opties zijn goed

12.

Hoe vind je het onderwerp in een zin?

a)

Wie of wat + alle werkwoorden?

b)

Wie of wat + de persoonsvorm?

c)

Alle opties zijn goed

d)

Het onderwerp is altijd onderstreept

13.

Wanneer gebruik je de tegenwoordige tijd?

a)

Als iets nu gebeurt

b)

Als iets later gebeurt

c)

Als iets al voorbij is

d)

Als iets nu gebeurt en als iets later gebeurt

14.

Wat is een sterk werkwoord?

a)

Woorden zoals 'kracht, gewichtheffen en bodybuilding'

b)

Een werkwoord krijgt een andere klank in de verleden tijd

c)

Een werkwoord kan niet in de verleden tijd worden gezet

d)

Sterke werkwoorden bestaan niet

15.

Hoe weet je hoe je een sterk werkwoord schrijft?

a)

't ex-kofschip

b)

Langer maken

c)

Dit moet je onthouden

d)

Sterke werkwoorden schrijf je net als zwakke werkwoorden

16.

Hoe maak je de stam van een werkwoord?

a)

-en van het hele werkwoord afhalen

b)

't ex-kofschip gebruiken

c)

Het werkwoord langer te maken

d)

Het werkwoord vooraan de zin te zetten

17.

Waar kun je 't ex-kofschip voor gebruiken?

a)

Als je niet weet of de persoonsvorm met -de(n) of -te(n) geschreven moet worden

b)

Als je niet weet hoe je een sterk werkwoord schrijft

c)

Als het werkwoord in het meervoud staat

d)

Als er meerdere werkwoorden in de zin staan

18.

Tegenwoordige tijd


Zij (lezen) ... voor uit het spannende boek.

a)

leesden

b)

lees

c)

lezen

d)

leest

19.

Verleden tijd


We (mixen) ... de melk door de meel.

a)

mixen

b)

mixten

c)

mixden

d)

mixte

20.

Verleden tijd


Ten slotte (toevoegen) ......... we eieren .......

a)

voegte ... toe

b)

voegen ... toe

c)

voegde ... toe

d)

voegden ... toe

21.

Verleden tijd


De smaak (verrassen) ..... me heel erg.

a)

verraste

b)

verraste

c)

verrastte

d)

verrasste

22.

Tegenwoordige tijd


Bas (vinden) ... Amsterdam een mooie stad.

a)

vind

b)

vindt

c)

vinden

d)

vint

23.

Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?

a)

De kat zit in de boom.

b)

De kat zat in de boom.

24.

Verleden tijd


De klas (zwemmen) ... in een mooi zwembad.

a)

zwommen

b)

zwom

c)

zwemde

d)

zwemte

25.

Verleden tijd


Toen moeder riep, (haasten) ... we ons naar huis.

a)

haasten

b)

haastten

c)

haastte

d)

haaste

26.

Verleden tijd


Het verlegen kind (durven) ... niet binnen komen.

a)

durvde

b)

durfte

c)

durfden

d)

durfde

27.

Tegenwoordige tijd


Kristine (feliciteren) ... hem voor zijn verjaardag.

a)

felicetert

b)

feliciteert

c)

feliciteer

d)

feliciteerde

28.

Verleden tijd


Maar even later (verdwijnen) ...... de ruzie als vanzelf.

a)

verwijnt

b)

verdwijnde

c)

verdween

d)

verdwenen

29.

Verleden tijd


Het meisje (beantwoorden) ... die vraag ontzetten snel.

a)

beantwoorden

b)

beantwoordden

c)

beantwoordde

d)

beantwoorde

30.

Tegenwoordige tijd


(worden) ... je ook gek van deze quiz?

a)

Worden

b)

Wordt

c)

Word

d)

Wort

31.

Tegenwoordige tijd


Hij (branden) ... zijn vinger aan de hete pan.

a)

Branden

b)

Brand

c)

Brandt

d)

Brant

32.
beginnen
a)
ik heb begint
b)
ik ben begonnen
c)
ik ben begind
33.
kopen
a)
ik heb gekoopt
b)
ik heb gekocht
c)
ik ben gekocht
34.
lezen
a)
ik heb gelezen
b)
ik ben geleesd
c)
ik heb geleesd
35.
schrijven
a)
ik heb geschrijft
b)
ik heb geschrijfd
c)
ik heb geschreven
36.
Wat is het hele werkwoord in deze zin?
De directeur bewondert Rafael.
a)
bewondert
b)
bewonder
c)
bewonderen
d)
bewonderde
37.
Zit dit werkwoord in 't kofschip X?
voetballen
a)
ja
b)
nee
38.
Zit dit werkwoord in 't kofschip X?
gebeuren
a)
ja
b)
nee
39.
Zit dit werkwoord in 't kofschip X?
mixen
a)
ja
b)
nee
40.
Wat krijg je als een werkwoord in 't kofschip zit?
a)
+te of +ten
b)
+de of +den 
c)
+te
d)
+de
41.
Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Wij vieren vandaag de verjaardag van juf.
a)
vierden
b)
vieren
c)
vierde
d)
vierten
42.

Gisteren ………………… mijn tante het eten voor ons.(bereiden)

a)

bereidde

b)

bereide

43.

Ze kookt alleen maar …………………. Maaltijden.(verantwoorden)

a)

verantwoorde

b)

verantwoordde

44.

Zij ………………… de ingrediënten altijd bij een speciale winkel.(bestellen)

a)

bestelt

b)

besteld

45.

Toen heeft mijn oom ………………... om patat te gaan halen.(besloten)

a)

besloten

b)

beslooten

46.

Lopen. Ik heb de marathon……...

a)

gelopen

b)

geloopt

c)

geloopen

47.

Zwemmen. Gisteren heeft zij haar eerste wedstrijd...…...

a)

gezwemd

b)

gezwommen

c)

gezwemmen

48.

Schaatsen. Vorige winter heb ik niet veel...….

a)

geschaatst

b)

geschaatsd

c)

geschaatsen

49.

Winnen. Ik heb deze quiz...…..

a)

gewonnen

b)

gewint

c)

gewind