Font size
WorksheetsTestweektoets 1A
Total questions: 46
Worksheet time: 32mins
Een schrijver wil je met argumenten overtuigen van zijn mening. Dan heet het tekstdoel:
(a)
Wat doe je als je een woord in de tekst niet kent?
Je kijkt of er een woord in de buurt staat wat hetzelfde betekent
Je leest gewoon door
Welke signaalwoorden geven een tegenstelling aan?
als eerste, daarna, bovendien, daarnaast, verder, ook, tot slot
maar, daarentegen, echter, toch, integendeel
eerst, daarna, vervolgens, voordat, nadat, toen, terwijl, zodra, tenslotte
Welk tekstverband geeft het signaalwoord 'toch' aan?
Opsomming
Tegenstelling
Tijdsvolgorde
Wat doe je bij het tekstdoel overtuigen?
Iemand iets laten doen
Iemand jouw mening laten overnemen
Iemand vermaken
Iemand informatie geven
Wat betekent intensief?
Heel vrolijk en druk
Intens, hevig
Volledig en op de beste manier
Wat betekent grondig?
Behoorlijk, flink, goed
Heel erg enthousiast, met veel inzet
Spannend, gevaarlijk
Wat heeft te maken met je lichaam?
Mentaal
Fysiek
Vul de zin aan: 'Een persoonlijk voornaamwoord verwijst naar ........ of ......'
(a)
Met een bezittelijk voornaamwoord kun je zeggen:
wie iemand is
van wie iets is
Hun/zij lopen hier.
Hun
Zij
Ik geef het hun/zij.
hun
zij
Een bezittelijk voornaamwoord staat voor een...
(a)
Wat voor soort woord is 'haar' in deze zin: 'Ik geef haar een hand.'
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Wat voor soort woord is 'ik' in deze zin: 'Ik geef haar een hand.'
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Wat voor soort woord is 'Hollandse' in deze zin: 'Die Hollandse stamppot is erg lekker.'
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Wat voor soort woord is 'mijn' in deze zin: 'Mijn recept voor stamppot is de beste die er is.'
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Wat voor soort woord is 'regenjas' in deze zin: 'Als je geen regenjas aantrekt, is het snel koud in de storm.'
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Welk woord is 'hij' in de zin: 'Hij loopt naar buiten'?
Bezittelijk voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Welk woord is 'uw' in de zin: 'Uw fototoestel ligt daar nog'?
Bezittelijk voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Welk woord is 'onze' in de zin: 'Het is de bedoeling dat onze docent hier eerder is dan wij'?
Bezittelijk voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Welk woord is 'wij' in de zin: 'Het is de bedoeling dat onze docent hier eerder is dan wij'?
Bezittelijk voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Welk woord is 'het' in de zin: 'Het is de bedoeling dat onze docent hier eerder is dan wij'?
Bezittelijk voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Wat is 'jouw tuin' in deze zin: 'Gisteren lag jouw tuin er nog netjes bij!'
Persoonsvorm
Onderwerp
Lijdend voorwerp
Werkwoordelijk gezegde
Wat is 'heb geschreven' in deze zin: 'Heb jij hem een brief geschreven?'
Persoonsvorm
Onderwerp
Lijdend voorwerp
Werkwoordelijk gezegde
Wat is 'een voorstelling' in deze zin: 'Hij gaf een voorstelling in het stadstheater.'
Persoonsvorm
Onderwerp
Lijdend voorwerp
Werkwoordelijk gezegde
Wat is 'wij' in deze zin: 'Morgen gaan wij naar huis.'
Persoonsvorm
Onderwerp
Lijdend voorwerp
Werkwoordelijk gezegde
Wat is 'zijn' in deze zin: 'Gisteren zijn wij naar huis gelopen.'
Persoonsvorm
Onderwerp
Lijdend voorwerp
Werkwoordelijk gezegde
Wat is het voltooid deelwoord in deze zin: 'Hij heeft gisterenmiddag een grote taart gebakken.'
(a)
Ik heb een ... ring (kies het juiste woord)
goude
gouden
Wat is 'houten' in de zin 'Dit is een houten bankje'?
Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
Stoffelijk bezittelijk voornaamwoord
Wie vind jij dat er beter danst ... Pieter?
als
dan
Het cijfer van je toets is minder belangrijk ... je inzet.
als
dan
Is jouw docent net zo slim ... jij?
als
dan
Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op uit deze zin: 'Mijn broer en ik [halen] vier patat en drie salades.'
(a)
Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op uit deze zin: 'De vliegtuigen [landen] in een weiland.'
(a)
Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op uit deze zin: 'De leerlingen [leren] veel in een heel jaar.'
(a)
Wat is het meervoud van 'alinea'
(a)
Wat is het meervoud van 'snee'
(a)
Wat is het meervoud van 'actie'
(a)
Wat is het meervoud van 'allergie'
(a)
Wat is het meervoud van 'confrontatie'
(a)
Ik heb zin in de vakantie
Ja
Nee
Wil ik niet zeggen
Ik heb zin in de zomer
Ja
Nee
Wil ik niet zeggen
Ik wil goed leren voor de toetsweek
Ja
Nee
Wil ik niet zeggen
Teken mevrouw Van Dam

