wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Testweektoets 1A

Total questions: 46

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Een schrijver wil je met argumenten overtuigen van zijn mening. Dan heet het tekstdoel:

(a)  

2.

Wat doe je als je een woord in de tekst niet kent?

a)

Je kijkt of er een woord in de buurt staat wat hetzelfde betekent

b)

Je leest gewoon door

3.

Welke signaalwoorden geven een tegenstelling aan?

a)

als eerste, daarna, bovendien, daarnaast, verder, ook, tot slot

b)

maar, daarentegen, echter, toch, integendeel

c)

eerst, daarna, vervolgens, voordat, nadat, toen, terwijl, zodra, tenslotte

4.

Welk tekstverband geeft het signaalwoord 'toch' aan?

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Tijdsvolgorde

5.

Wat doe je bij het tekstdoel overtuigen?

a)

Iemand iets laten doen

b)

Iemand jouw mening laten overnemen

c)

Iemand vermaken

d)

Iemand informatie geven

6.

Wat betekent intensief?

a)

Heel vrolijk en druk

b)

Intens, hevig

c)

Volledig en op de beste manier

7.

Wat betekent grondig?

a)

Behoorlijk, flink, goed

b)

Heel erg enthousiast, met veel inzet

c)

Spannend, gevaarlijk

8.

Wat heeft te maken met je lichaam?

a)

Mentaal

b)

Fysiek

9.

Vul de zin aan: 'Een persoonlijk voornaamwoord verwijst naar ........ of ......'

(a)  

10.

Met een bezittelijk voornaamwoord kun je zeggen:

a)

wie iemand is

b)

van wie iets is

11.

Hun/zij lopen hier.

a)

Hun

b)

Zij

12.

Ik geef het hun/zij.

a)

hun

b)

zij

13.

Een bezittelijk voornaamwoord staat voor een...

(a)  

14.

Wat voor soort woord is 'haar' in deze zin: 'Ik geef haar een hand.'

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

voorzetsel

d)

persoonlijk voornaamwoord

e)

bezittelijk voornaamwoord

15.

Wat voor soort woord is 'ik' in deze zin: 'Ik geef haar een hand.'

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

voorzetsel

d)

persoonlijk voornaamwoord

e)

bezittelijk voornaamwoord

16.

Wat voor soort woord is 'Hollandse' in deze zin: 'Die Hollandse stamppot is erg lekker.'

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

voorzetsel

d)

persoonlijk voornaamwoord

e)

bezittelijk voornaamwoord

17.

Wat voor soort woord is 'mijn' in deze zin: 'Mijn recept voor stamppot is de beste die er is.'

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

voorzetsel

d)

persoonlijk voornaamwoord

e)

bezittelijk voornaamwoord

18.

Wat voor soort woord is 'regenjas' in deze zin: 'Als je geen regenjas aantrekt, is het snel koud in de storm.'

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

voorzetsel

d)

persoonlijk voornaamwoord

e)

bezittelijk voornaamwoord

19.

Welk woord is 'hij' in de zin: 'Hij loopt naar buiten'?

a)

Bezittelijk voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

20.

Welk woord is 'uw' in de zin: 'Uw fototoestel ligt daar nog'?

a)

Bezittelijk voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

21.

Welk woord is 'onze' in de zin: 'Het is de bedoeling dat onze docent hier eerder is dan wij'?

a)

Bezittelijk voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

22.

Welk woord is 'wij' in de zin: 'Het is de bedoeling dat onze docent hier eerder is dan wij'?

a)

Bezittelijk voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

23.

Welk woord is 'het' in de zin: 'Het is de bedoeling dat onze docent hier eerder is dan wij'?

a)

Bezittelijk voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

24.

Wat is 'jouw tuin' in deze zin: 'Gisteren lag jouw tuin er nog netjes bij!'

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Lijdend voorwerp

d)

Werkwoordelijk gezegde

25.

Wat is 'heb geschreven' in deze zin: 'Heb jij hem een brief geschreven?'

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Lijdend voorwerp

d)

Werkwoordelijk gezegde

26.

Wat is 'een voorstelling' in deze zin: 'Hij gaf een voorstelling in het stadstheater.'

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Lijdend voorwerp

d)

Werkwoordelijk gezegde

27.

Wat is 'wij' in deze zin: 'Morgen gaan wij naar huis.'

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Lijdend voorwerp

d)

Werkwoordelijk gezegde

28.

Wat is 'zijn' in deze zin: 'Gisteren zijn wij naar huis gelopen.'

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Lijdend voorwerp

d)

Werkwoordelijk gezegde

29.

Wat is het voltooid deelwoord in deze zin: 'Hij heeft gisterenmiddag een grote taart gebakken.'

(a)  

30.

Ik heb een ... ring (kies het juiste woord)

a)

goude

b)

gouden

31.

Wat is 'houten' in de zin 'Dit is een houten bankje'?

a)

Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

b)

Stoffelijk bezittelijk voornaamwoord

32.

Wie vind jij dat er beter danst ... Pieter?

a)

als

b)

dan

33.

Het cijfer van je toets is minder belangrijk ... je inzet.

a)

als

b)

dan

34.

Is jouw docent net zo slim ... jij?

a)

als

b)

dan

35.

Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op uit deze zin: 'Mijn broer en ik [halen] vier patat en drie salades.'

(a)  

36.

Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op uit deze zin: 'De vliegtuigen [landen] in een weiland.'

(a)  

37.

Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op uit deze zin: 'De leerlingen [leren] veel in een heel jaar.'

(a)  

38.

Wat is het meervoud van 'alinea'

(a)  

39.

Wat is het meervoud van 'snee'

(a)  

40.

Wat is het meervoud van 'actie'

(a)  

41.

Wat is het meervoud van 'allergie'

(a)  

42.

Wat is het meervoud van 'confrontatie'

(a)  

43.

Ik heb zin in de vakantie

a)

Ja

b)

Nee

c)

Wil ik niet zeggen

44.

Ik heb zin in de zomer

a)

Ja

b)

Nee

c)

Wil ik niet zeggen

45.

Ik wil goed leren voor de toetsweek

a)

Ja

b)

Nee

c)

Wil ik niet zeggen

46.

Teken mevrouw Van Dam