wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

spelling en gramm h1

Total questions: 49

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Achter een zin komt ........... een leesteken.

a)

soms

b)

nooit

c)

altijd

d)

een kameel met

2.

hoeveel leestekens en/of hoofdletters mis ik hier

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

3.

Een vraagteken komt altijd aan het (a)   van een zin.

4.

Mijnheer bakker is de beste Bakker in ons dorp.

a)

Correct

b)

fout

c)

Croissant

d)

klopt gedeeltelijk

5.

De persoonsvorm is ALTIJD een (a)  

6.

Het is een ................ dag geweest.

a)

productiefe

b)

productieve

c)

productiffe

d)

productivve

7.

Een jas die gemaakt is van leer, is een (a)   jas.

8.

Een medaille gemaakt van goud, is een (a)   medaille.

9.

Een tas gemaakt van plastic, noemen we een (a)   tas.

10.

De 'stam' van een werkwoord is het 'hele werkwoord' .......

a)

zonder 'en'

b)

in de 'ik'-vorm

c)

achterstevoren

d)

in de 'wij-vorm'.

11.

Hij ................ die vraag ................

a)

beoordeeld

verkeerd

b)

beoordeelt

verkeert

c)

beoordeelt

verkeerd

d)

beoordeeld

verkeert

12.

Ik ............ over ......... en mijn ..........

a)

peinz

jou

toekomsd

b)

peins

jouw

toekomsd

c)

peins

jouw

toekomst

d)

peinz

jouw

toekomst

13.

Ik ......... gister in mijn ........... broek over de ............. straat

a)

loop

katoen

opgebroken

b)

liep

katoenen

opbreken

c)

loop

katoenen

opgebroeken

d)

liep

katoenen

opgebroken

14.

Je ......... nooit wie ik .......... heb.

a)

raadt

geslagen

b)

raad

geslagen

c)

raadt

gezien

d)

raad

gezien

15.

Na de val .......... ik als een .........

a)

bloedt

rundt

b)

bloed

rund

c)

bloedt

rund

d)

bloed

rundt

16.

Vorige week ....... er twee luchtballonnen voorbij.

a)

zwieven

b)

zwoven

c)

zweevden

d)

zweefden

17.

Vóór de persoonsvorm kan maar één zinsdeel staan.

a)

juist

b)

onjuist

18.

De persoonsvorm in een zin geeft ................ en ........... aan.

a)

het getal

de tijd

b)

het weer

de tijd

c)

de richting

het getal

d)

het begin

het einde

19.

Persoonsvorm?

De bakker had al zijn croissants verkocht.

a)

had

b)

verkocht

c)

had verkocht

d)

croissants

20.

Verander de tijd:

De bakker had al zijn croissants verkocht.

a)

Had de bakker al zijn croissants verkocht?

b)

Hadden de bakkers al hun croissants verkocht?

c)

De bakker heeft al zijn croissants verkocht.

d)

De bakkers hadden al hun croissants verkocht.

21.

Verander het getal:

De bakker had al zijn croissants verkocht.

a)

Had de bakker al zijn croissants verkocht?

b)

Hadden de bakkers al hun croissants verkocht?

c)

De bakker heeft al zijn croissants verkocht.

d)

De bakkers hadden al hun croissants verkocht.

22.

Is het onderstreepte woord de persoonsvorm?

Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.

a)

ja

b)

nee

c)

soms

d)

Ik kan overal op lopen.

23.

Is het onderstreepte woord het onderwerp?

Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.

a)

ja

b)

nee

c)

soms

d)

Ik kan overal op lopen.

24.

Is het onderstreepte woord het onderwerp?

Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.

a)

ja

b)

nee

c)

soms

d)

Ik kan overal op lopen.

25.

Is het onderstreepte woord de persoonsvorm?

Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.

a)

ja

b)

nee

c)

soms

d)

Ik kan overal op lopen.

26.

Uit hoeveel woorden bestaat het onderwerp:

Het meisje in de blauwe jurk met de witte stippen geeft mij de kriebels.

a)

1

b)

2

c)

10

d)

2 1/2

27.

Van een zelfstandig naamwoord kun je meestal een verkleinwoord maken.

a)

Klopt.

b)

klopt niet.

c)

met een hamer misschien

28.

hoeveel lidwoorden heeft het Nederlands

(a)  

29.

Hoeveel 'onbepaalde' lidwoorden kent het Nederlands?

(a)  

30.

Hoeveel 'bepaalde' lidwoorden kent het Nederlands?

(a)  

31.

Hoeveel verschillende woordsoorten in de volgende zin?

De man vist.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

32.

Hoeveel verschillende woordsoorten in de volgende zin?

De man vist op zee.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

33.

Hoeveel verschillende woordsoorten in de volgende zin?

De man vist op de zee.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

34.

Het onderwerp en de persoonsvorm staan vaak naast elkaar.

a)

klopt

b)

klopt niet

35.

Als de persoonsvorm in het enkelvoud staat, moet het onderwerp in het meervoud staan.

a)

klopt

b)

klopt niet

36.

persoonsvorm en onderwerp?

Het proefwerk was een lachertje

a)

PV - het proefwerk

OND - was

b)

PV - was

OND - het proefwerk

c)

PV - was

OND - een lachertje

d)

PV - een lachertje

OND - was

37.

persoonsvorm en onderwerp?

School is goed voor je.

a)

PV - is

OND - school

b)

PV - is

OND - goed

c)

PV - je

OND - school

d)

PV - school

OND - je

38.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden:

De betonnen paal stond tussen de houten kisten, de kartonnen dozen en het metaal.

(a)  

39.

Wat is het onderstreepte woord?

Zijn moeder achterhaalde de waarheid.

a)

de persoonsvorm

b)

een werkwoord

c)

een wachtwoord

d)

het onderwerp

40.

Wat zijn de onderstreepte woorden?

Mijnheer Bakker is de beste bakker in ons dorp.

a)

Zelfstandig naamwoord en werkwoord

b)

een werkwoord en een lidwoord

c)

een zelfstandig naamwoord

d)

een werkwoord en een zelfstandig naamwoord.

41.

Vormen de onderstreepte woorden één zinsdeel? Kies: waar of niet waar.

De manager van het eerste team heeft een leuke baan.

a)

waar

b)

niet waar

42.

Vormen de onderstreepte woorden één zinsdeel? Kies: waar of niet waar.

Heb je de nieuwe film van Spielberg al gezien in de bioscoop?

a)

waar

b)

niet waar

43.

Vormen de onderstreepte woorden één zinsdeel? Kies: waar of niet waar.

De leerlingen werden aangesproken door de conciërge.

a)

waar

b)

niet waar

44.

Maak van het woord tussen haakjes passende bijvoeglijke naamwoorden.

Kickboksen is best een … (spannend) sport.

(a)  

45.

Maak van het woord tussen haakjes passende bijvoeglijke naamwoorden.

Iedereen viel op de … (glad) straat.

(a)  

46.

Maak van het woord tussen haakjes passende bijvoeglijke naamwoorden.

Mijn vader werkt op een camping met … (doof) mensen.

(a)  

47.

Noteer de persoonsvorm van de volgende zin in de verleden tijd.

BLUSSEN. Zes rampvoertuigen ............... de brand in de blikjesfabriek.

a)

blussten

b)

bluzten

c)

blustten

d)

blusten

48.

Noteer de persoonsvorm van de volgende zin in de verleden tijd.

BEANTWOORDEN. De verdachte ............ de vragen van de agent.

a)

beantworde

b)

beantwerd

c)

beantwoordde

d)

beantwoorde

49.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden:

De betonnen paal stond tussen de houten kisten, de kartonnen dozen en het oude metaal.

(a)