Font size
Worksheetsspelling en gramm h1
Total questions: 49
Worksheet time: 32mins
Achter een zin komt ........... een leesteken.
soms
nooit
altijd
een kameel met
hoeveel leestekens en/of hoofdletters mis ik hier
1
2
3
4
Een vraagteken komt altijd aan het (a) van een zin.
Mijnheer bakker is de beste Bakker in ons dorp.
Correct
fout
Croissant
klopt gedeeltelijk
De persoonsvorm is ALTIJD een (a)
Het is een ................ dag geweest.
productiefe
productieve
productiffe
productivve
Een jas die gemaakt is van leer, is een (a) jas.
Een medaille gemaakt van goud, is een (a) medaille.
Een tas gemaakt van plastic, noemen we een (a) tas.
De 'stam' van een werkwoord is het 'hele werkwoord' .......
zonder 'en'
in de 'ik'-vorm
achterstevoren
in de 'wij-vorm'.
Hij ................ die vraag ................
beoordeeld
verkeerd
beoordeelt
verkeert
beoordeelt
verkeerd
beoordeeld
verkeert
Ik ............ over ......... en mijn ..........
peinz
jou
toekomsd
peins
jouw
toekomsd
peins
jouw
toekomst
peinz
jouw
toekomst
Ik ......... gister in mijn ........... broek over de ............. straat
loop
katoen
opgebroken
liep
katoenen
opbreken
loop
katoenen
opgebroeken
liep
katoenen
opgebroken
Je ......... nooit wie ik .......... heb.
raadt
geslagen
raad
geslagen
raadt
gezien
raad
gezien
Na de val .......... ik als een .........
bloedt
rundt
bloed
rund
bloedt
rund
bloed
rundt
Vorige week ....... er twee luchtballonnen voorbij.
zwieven
zwoven
zweevden
zweefden
Vóór de persoonsvorm kan maar één zinsdeel staan.
juist
onjuist
De persoonsvorm in een zin geeft ................ en ........... aan.
het getal
de tijd
het weer
de tijd
de richting
het getal
het begin
het einde
Persoonsvorm?
De bakker had al zijn croissants verkocht.
had
verkocht
had verkocht
croissants
Verander de tijd:
De bakker had al zijn croissants verkocht.
Had de bakker al zijn croissants verkocht?
Hadden de bakkers al hun croissants verkocht?
De bakker heeft al zijn croissants verkocht.
De bakkers hadden al hun croissants verkocht.
Verander het getal:
De bakker had al zijn croissants verkocht.
Had de bakker al zijn croissants verkocht?
Hadden de bakkers al hun croissants verkocht?
De bakker heeft al zijn croissants verkocht.
De bakkers hadden al hun croissants verkocht.
Is het onderstreepte woord de persoonsvorm?
Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.
ja
nee
soms
Ik kan overal op lopen.
Is het onderstreepte woord het onderwerp?
Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.
ja
nee
soms
Ik kan overal op lopen.
Is het onderstreepte woord het onderwerp?
Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.
ja
nee
soms
Ik kan overal op lopen.
Is het onderstreepte woord de persoonsvorm?
Met die nieuwe patta's aan, kan ik niet goed lopen.
ja
nee
soms
Ik kan overal op lopen.
Uit hoeveel woorden bestaat het onderwerp:
Het meisje in de blauwe jurk met de witte stippen geeft mij de kriebels.
1
2
10
2 1/2
Van een zelfstandig naamwoord kun je meestal een verkleinwoord maken.
Klopt.
klopt niet.
met een hamer misschien
hoeveel lidwoorden heeft het Nederlands
(a)
Hoeveel 'onbepaalde' lidwoorden kent het Nederlands?
(a)
Hoeveel 'bepaalde' lidwoorden kent het Nederlands?
(a)
Hoeveel verschillende woordsoorten in de volgende zin?
De man vist.
1
2
3
geen
Hoeveel verschillende woordsoorten in de volgende zin?
De man vist op zee.
1
2
3
4
Hoeveel verschillende woordsoorten in de volgende zin?
De man vist op de zee.
1
2
3
4
Het onderwerp en de persoonsvorm staan vaak naast elkaar.
klopt
klopt niet
Als de persoonsvorm in het enkelvoud staat, moet het onderwerp in het meervoud staan.
klopt
klopt niet
persoonsvorm en onderwerp?
Het proefwerk was een lachertje
PV - het proefwerk
OND - was
PV - was
OND - het proefwerk
PV - was
OND - een lachertje
PV - een lachertje
OND - was
persoonsvorm en onderwerp?
School is goed voor je.
PV - is
OND - school
PV - is
OND - goed
PV - je
OND - school
PV - school
OND - je
Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden:
De betonnen paal stond tussen de houten kisten, de kartonnen dozen en het metaal.
(a)
Wat is het onderstreepte woord?
Zijn moeder achterhaalde de waarheid.
de persoonsvorm
een werkwoord
een wachtwoord
het onderwerp
Wat zijn de onderstreepte woorden?
Mijnheer Bakker is de beste bakker in ons dorp.
Zelfstandig naamwoord en werkwoord
een werkwoord en een lidwoord
een zelfstandig naamwoord
een werkwoord en een zelfstandig naamwoord.
Vormen de onderstreepte woorden één zinsdeel? Kies: waar of niet waar.
De manager van het eerste team heeft een leuke baan.
waar
niet waar
Vormen de onderstreepte woorden één zinsdeel? Kies: waar of niet waar.
Heb je de nieuwe film van Spielberg al gezien in de bioscoop?
waar
niet waar
Vormen de onderstreepte woorden één zinsdeel? Kies: waar of niet waar.
De leerlingen werden aangesproken door de conciërge.
waar
niet waar
Maak van het woord tussen haakjes passende bijvoeglijke naamwoorden.
Kickboksen is best een … (spannend) sport.
(a)
Maak van het woord tussen haakjes passende bijvoeglijke naamwoorden.
Iedereen viel op de … (glad) straat.
(a)
Maak van het woord tussen haakjes passende bijvoeglijke naamwoorden.
Mijn vader werkt op een camping met … (doof) mensen.
(a)
Noteer de persoonsvorm van de volgende zin in de verleden tijd.
BLUSSEN. Zes rampvoertuigen ............... de brand in de blikjesfabriek.
blussten
bluzten
blustten
blusten
Noteer de persoonsvorm van de volgende zin in de verleden tijd.
BEANTWOORDEN. De verdachte ............ de vragen van de agent.
beantworde
beantwerd
beantwoordde
beantwoorde
Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden:
De betonnen paal stond tussen de houten kisten, de kartonnen dozen en het oude metaal.
(a)
