Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Schrijven en Formuleren havo 3

Total questions: 14

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een manier om aantrekkelijk te schrijven?

a)

signaalwoorden gebruiken om de tekst te verduidelijken

b)

moeilijke woorden toevoegen om het niveau te verhogen

c)

lange zinnen formuleren om het moeilijker te maken

d)

korte zinnen formuleren om het gemakkelijk te maken

2.

Wat geven signaalwoorden aan?

a)

verbanden in de tekst

b)

verwijzen naar eerdergenoemde woorden

c)

signalen voor de inleiding

d)

ze geven aan dat het slot begint

3.

Welke signaalwoorden horen bij het tekstverband 'opsomming'?

a)

dus, daarom, kortom

b)

daardoor, doordat, als gevolg van

c)

ook, bovendien, daarnaast

d)

maar, toch, echter

4.

Welke signaalwoorden horen bij een chronologisch tekstverband?

a)

dus, daarom, omdat

b)

zo, bijvoorbeeld, zoals

c)

als...dan, indien, tenzij

d)

eerst, daarna, vroeger

5.

Welk tekstverband hoort bij: 'indien' en 'tenzij'?

a)

oorzaak-gevolg

b)

conclusie/samenvatting

c)

tegenstelling

d)

voorwaarde

6.

Welk tekstverband hoort bij: 'maar' en 'toch'?

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

reden

d)

voorbeeld

7.

'Dus' hoort bij:

a)

opsomming en tegenstelling

b)

reden en conclusie/samenvatting

c)

voorwaarde en reden

d)

conclusie/samenvatting en chronologie

8.

'In voor- en tegenspoed' is een voorbeeld van:

a)

een tekstverband

b)

een samentrekking

c)

een foutieve samentrekking

d)

een haiku

9.

Welk woord is weggelaten?: 'Zij ging naar Amsterdam en ik naar Utrecht.'

a)

ging

b)

gaan

c)

ga

d)

er ontbreekt niets

10.

Een woord mag je weglaten als:

a)

de woorden dezelfde functie, betekenis en getal hebben

b)

de woorden dezelfde inhoud, betekenis en getal hebben

c)

de woorden dezelfde betekenis, vorm en functie hebben

11.

Goed of fout? 'Ze gaf zich over en ik haar een cadeau.'

a)

goed

b)

fout

12.

Goed of fout? 'De leerlingen vonden het te warm en wilden buiten les krijgen.'

a)

goed

b)

fout

13.

Goed of fout? 'Zijn broek kost 80 euro, maar vind ik niet mooi.'

a)

goed

b)

fout

14.

Goed of fout? 'Er wordt een drempel gelegd en huizen gebouwd.'

a)

goed

b)

fout