wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

terugblik elektriciteit

Total questions: 32

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Ohm
d)
Volt
2.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
3.
Welk soort schakeling staat op het plaatje?
a)
Serieschakeling
b)
parallelschakeling
c)
hotelschakeling
d)
gemengde schakeling
4.
Hoeveel batterijen van 1,5 Volt zijn er nodig om een spanning te maken van 9 Volt?
a)
4
b)
5
c)
6
d)
7
5.
27 mA = 
a)
2700 A
b)
270 A
c)
0,27 A
d)
0,027 A
6.
16 kV = 
a)
16000 V
b)
160 V
c)
0,16 V
d)
0,0016 V
7.
5 identieke lampjes zijn aangesloten op een batterij van 9 Volt.
Welke stelling is juist?
a)
Lampjes 1 en 2 branden het felst.
b)
Lampjes 3, 4 en 5 branden het felst.
c)
Alle lampjes branden even fel.
d)
Kan je niet weten want de stroomsterkte is niet gegeven.
8.
In de figuur zijn 3 dezelfde lampjes aangesloten op een batterij van 4,5 Volt.
Welke stelling is juist?
a)
Alle lampjes branden even fel.
b)
Het rechter lampje brandt het felst.
c)
Het rechter lampje brand het zwakst.
d)
Kan je niet weten omdat de stroomsterkte niet gegeven is.
9.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
10.
In een parallelschakeling is de stroomsterkte overal hetzelfde.
a)
Waar 
b)
Niet waar
11.

Wanneer kan er in een stroomkring stroom lopen?

a)

Als het rode draad in de plus kant zit en het zwarte draad in de min kant

b)

Als er genoeg isolatoren in de stroomkring zitten

c)

Alleen als de stroomkring gesloten is

d)

Alle drie de antwoorden zijn juist

12.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

13.
Het plaatje is het symbool van een:
a)
Batterij
b)
Een gesloten schakelaar
c)
Een geopende schakelaar
d)
Een lamp
14.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
15.
Een stroomkring kan geopend en gesloten worden met een....
a)
Batterij
b)
Lampje
c)
Weerstand
d)
Schakelaar
16.
Als je onderdelen in één stroom kring achter elkaar schakelt dan staan ze....
a)
In serie
b)
Parallel
17.
Als er één apparaat kapot gaat in een serieschakeling dan doen de andere apparaten het....
a)
Nog wel
b)
Ook niet meer
18.

In een schakeling zijn drie lampjes in serie geschakeld. Welke twee beweringen over de stroom en de stroomsterkte in deze schakeling zijn waar?

a)

De stroomsterkte is overal in de stroomkring gelijk.

b)

De totale stroomsterkte is het grootst door het eerste lampje.

c)

De totale stroomsterkte vind je door de stroomsterktes door de drie lampjes bij elkaar op te tellen.

d)

De stroom kan maar één route volgen.

19.

Op de staaf-batterij staat: 1,5 V. Dit is de .....van de batterij

a)

spanning

b)

warmte

c)

grootte

d)

inhoud

20.

Om elektriciteit te krijgen heb je een.............nodig

a)

spanningsbron

b)

lichtbron

c)

waterbron

21.

Wat kun je zeggen als in een parallel-schakeling een apparaat kapot is?

a)

de andere apparaten werken dan ook niet

b)

de andere apparaten werken wel

c)

de andere apparaten gaan ook kapot

22.

Wat is de formule om het vermogen van een apparaat te berekenen?

a)

P = UI

b)

P = U * I

c)

U = IP

d)

U = P * I

23.

Betty maakt een parallelschakeling met drie lampjes. Ze sluit de schakeling aan op een gelijkspanningsbron. Welk schema hoort bij deze schakeling?

a)
b)
c)
24.

Jos maakt een serieschakeling met twee lampjes. Hij wil de totale stroomsterkte meten door de stroomkring. In welke figuur staat de stroommeter juist aangesloten?

a)
b)
c)
25.

Bekijk de getekende schakeling. Bereken stroom I2. Welke berekening in juist?

a)

I2 = 1,3A – 0,4A – 0,6A = 0,3A

b)

I2 = 1,3A + 0,4A + 0,6A = 2,3A

c)

I2 = 0,4A + 0,6A = 1,0A

26.

In de schakeling is op twee plaatsen de stroomsterkte gemeten. De meetresultaten staan bij de schakeling vermeld. Welke twee beweringen over de stroomsterkte in deze schakeling zijn juist?

a)

De stroomsterkte bij A is gelijk aan de totale stroomsterkte.

b)

De stroomsterkte bij B is gelijk aan de stroomsterkte bij C

c)

Bij D is de stroomsterkte het grootst.

d)

Bij D is de stroomsterkte het kleinst.

27.

Wat is het symbool van stroomsterkte?

a)

I

b)

U

c)

A

d)

V

28.

Wat is de eenheid van stroomsterkte

a)

Ampere

b)

Volt

c)

Watt

29.

als je lampje 1 losdraait....

a)

gaat lampje 2 uit

b)

blijft lampje 2 aan

30.

welke schema geeft de schakeling juist weer?

a)
b)
c)
d)
31.

Drie regels zijn fout. Welke regel is juist?

a)

stroomsterkte (I) in ampère (A)

b)

stroomsterkte (U) in ampère (A)

c)

stroomsterkte (I) in volt (V)

d)

stroomsterkte (U) in volt (V)

32.

Drie regels zijn fout. Welke regel is juist?

a)

spanning (I) in ampère (A)

b)

spanning (U) in ampère (A)

c)

spanning (I) in volt (V)

d)

spanning (U) in volt (V)