wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vaste voorzetsels

Total questions: 15

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Vul het goede voorzetsel in:

Bij gebrek ___________belangstelling werd de reis uitgesteld.

a)

voor

b)

bij

c)

naar

d)

aan

2.

Vul het goede voorzetsel in.

_______ lezing van de tekst werd alles duidelijk.

a)

Bij

b)

Na

c)

Voor

d)

In

3.

Vul het goede voorzetsel in.

De schuldige werknemer werd ______ staande voet ontslagen.

a)

met

b)

op

c)

naast

d)

tussen

4.

Vul het goede voorzetsel in.

Tijdens de vakantie hadden we de keuze __________ een tent of een caravan.

a)

voor

b)

aan

c)

uit

d)

met

5.

Vul het goede voorzetsel in.

De klant liet zich ________ een kluitje in het riet wegsturen.

a)

bij

b)

aan

c)

met

d)

voor

6.

Vul het goede voorzetsel in.

Kinderen laten zich gemakkelijk ________ een aankoop verleiden.

a)

in

b)

tot

c)

voor

d)

met

7.

Vul het goede voorzetsel in.

We danken u _____ voorbaat voor uw belangstelling.

a)

bij

b)

tot

c)

met

d)

voor

8.

Vul het goede voorzetsel in.

Vader stond er ______ dat we ons zouden verontschuldigen.

a)

in

b)

voor

c)

naast

d)

op

9.

Vul het goede voorzetsel in.

De leerlingen keken verlangend uit ________ de vakantie.

a)

in

b)

met

c)

naar

d)

voor

10.

Vul het goede voorzetsel in.

We zouden meer rekening moeten houden _______ elkaar.

a)

voor

b)

aan

c)

achter

d)

met

11.

Vul het goede voorzetsel in.

De docent twijfelt er niet ______ dat de leerling iets in zijn schild voert.

a)

voor

b)

aan

c)

voor

d)

tussen

12.

Vul het goede voorzetsel in.

Oma rekent _________ onze aanwezigheid tijdens het feest.

a)

met

b)

voor

c)

af

d)

op

13.

Vul het goede voorzetsel in.

Het bezoek had behoefte _______ een kop koffie.

a)

voor

b)

aan

c)

in

d)

af

14.

Vul het goede voorzetsel in.

Nu is ze opgezadeld _______ veel nakijkwerk.

a)

met

b)

voor

c)

na

d)

tussen

15.

Vul het goede voorzetsel in.

Klaas stoorde zich _______ de drukte in de klas.

a)

voor

b)

met

c)

in

d)

aan