wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Stevigheid en bewegen basisstof 1 tm 6 biologie voor jou max

Total questions: 33

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Uit welke stof(fen) bestaan botten?

a)

Kalk

b)

Hoornstof

c)

Kalk en Hoornstof

d)

Lijmstof en Kalk

2.

Welk soort verbinding zie je op het plaatje?

a)

rolgewricht

b)

scharniergewricht

c)

kogelgewricht

3.

De beenderen bij baby's bestaan voornamelijk uit kraakbeen

a)

Juist

b)

Onjuist

4.
Lijmstof verbrandt in een vlam
a)
Juist
b)
Onjuist
5.

Welke stof zit vooral in kraakbeen?

a)

kalkzout

b)

lijmstof

c)

zoutzuur

d)

brandstof

6.

Hoe zijn de botten van ouderen opgebouwd?

a)

Veel lijmstof en veel kalk

b)

Weinig lijmstof en veel kalk

c)

Veel hoornstof en weinig kalk

d)

Weinig lijmstof en veel hoornstof.

7.

De botten in je vingertopjes noem je ...

a)

Handwortelbeentjes

b)

Middenhandsbeentjes

c)

Vingerkootjes

d)

Topbotjes

8.

Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)

a)

kogelgewricht

b)

scharniergewricht

9.
Been is buigzamer dan kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
10.
Kies de juiste woorden:
Als je een spier aanspant wordt hij dikker/dunner en langer/korter.
a)
dikker en langer
b)
dikker en korter
c)
dunner en langer
d)
dunner en korter
11.
Wat is een pees?
a)
Uiteinde van een spier
b)
Dood weefsel
c)
Stijve spier
12.
Uit welke beenderen bestaat de bekkengordel?
a)
Schouderbladeren + sleutelbeenderen
b)
Heupbeenderen + heiligbeen
c)
Bekken
13.
Hoe noem je twee spieren die de tegenovergestelde beweging van elkaar maken?
a)
Tegenstanders
b)
Anti-spieren
c)
Opponenten
d)
Antagonisten
14.

Welk bot op de afbeelding is gebroken?

a)

Handwortelbeentje

b)

Middenhandsbeentje

c)

Vingerkootje

15.

De plek waar pezen aan het bot vast zitten heet .....

a)

Verbinding

b)

Botverbinding

c)

Hechtingsgonist

d)

Aanhechtingsplaats

16.

Hoe zitten de botten van het heiligbeen aan elkaar?

a)

Ze zijn vergroeid

b)

Door naden

c)

Door kraakbeen

d)

Door een gewricht

17.

Waardoor kunnen twee gewrichten soepel kunnen bewegen?

a)

Water

b)

Stroop

c)

Gewrichtsvloeistof

d)

Gewrichtssmeer

18.

Waar staan de wervels in de juiste volgorde?

a)

Halswervels - lendenwervels - borstwervels - heiligbeen - staartbeen

b)

Borstwervels - halswervels - lendenwervels - heiligbeen - staartbeen

c)

Halswervels - borstwervels - lendenwervels - staartbeen - heiligbeen

d)

Halswervels - borstwervels - lendenwervels - heiligbeen - staartbeen

19.
Waar in mijn lichaam heb ik een kogelgewricht?
a)
pols
b)
heup
c)
elleboog
d)
enkel
20.
Nummer 2 is de?
a)
gewrichtskogel
b)
gewrichtskom
c)
gewrichtssmeer
d)
kraakbeenlaagje
21.
Welk onderdeel zorgt voor bescherming tegen slijtage?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
22.
Met welk nummer wordt het borstbeen aangegeven?
a)
Nummer 3
b)
Nummer 4
c)
Nummer 5
d)
Nummer 6
23.
Het kuitbeen wordt aangegeven met nummer
a)
Nummer 13
b)
Nummer 14
c)
Nummer 15
24.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
25.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
26.

Voordat je gaat voetballen wat kan je dan het beste doen?

a)

warming up

b)

warming up en rekoefeningen

c)

warming up en cooling down

d)

coolingdown en rekoefeningen

27.

Waardoor kan RSI ontstaan?

a)

Door teveel te eten

b)

Door een gewricht te veel te belasten

c)

Door een verkeerde lichaamshouding

d)

Doordat de botten op elkaar gedrukt worden.

28.

Door veel je armspieren te trainen krijg je.....

a)

Dikkere armen

b)

Dunnere armen

c)

Dikke onderarmen

29.

Wanneer je een voor een marathon gaat trainen dan bouw je ..... op. (Vul in wat er op de puntjes moet staan)

a)

Coördinatie

b)

Conditie

c)

Duurvermogen

d)

blessures

30.

Hoe heet het blauwe bot in deze tekening?

a)

scheenbeen

b)

dijbeen

c)

middenvoetsbeen

d)

opperarmbeen

31.

Wanneer er geen dubbele s-vorm is kan je rugklachten krijgen.

a)

waar

b)

niet waar

32.

Als je iets op tilt kan je het beste voorover buigen.

a)

waar

b)

niet waar

33.

Een verkeerde lichaamshouding heeft geen gevolgen voor de rest van je gezondheid.

a)

juist

b)

onjuist