wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VW2X Ecologie

Total questions: 15

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn carnivoren?

a)

alleseters

b)

vleeseters

c)

afvaleters

d)

planteneters

2.

Welk voorbeeld van een voedselketen klopt?

a)

Eik-->koolmeesje-->rups-->marter

b)

lijsterbes-->kikker-->havik-->slang

c)

Eik-->rups-->koolmeesje-->marter

d)

gras-->lieveheersbeestje-->merel-->vos

3.

In welke kringloop hoort waterdamp?

a)

stikstofkringloop

b)

koolstofkringloop

c)

waterkringloop

d)

papierkringloop

4.

Hoe noem je één enkel organisme?

a)

populatie

b)

individu

c)

biotoop

d)

omnivoor

5.

wat is biodiversiteit?

a)

Het aantal verschillende soorten

b)

dieren in een gebied

c)

het aantal verschillende soorten in een gebied

d)

een gebied met dieren

6.

Hoe ontstaat glucose?

a)

Door de uitwerpselen van dieren

b)

Door fotosynthese

c)

Door koolstof dat wordt omgezet in glucose in de plant

d)

Door verdamping

7.

Wat is een ecosysteem?

a)

een gebied waarin de biotische en de a-biotische factoren een eenheid vormen

b)

een levensgemeenschap

c)

een dierensysteem

d)

Als dieren zich voortplanten

8.

Een merel is een alleseter. Hoe noem je een alleseter en tot welke orde hoort hij?

a)

Herbivoor, 1ste orde

b)

herbivoor, maakt niet uit

c)

omnivoor, 1ste orde

d)

omnivoor, maakt niet uit

9.

wat betekend autotroof?

a)

ander voeden

b)

bacteriën voeden

c)

zelf voeden

d)

zelfde soort voeden

10.

Hoe staat het pijltje in de voedselketen?

a)

van prooi naar jager

b)

van jager naar prooi

c)

naar boven, autotroof voedend

d)

schuin omhoog, abiotische afvaleters

11.

Wat hebben planten nodig om eiwitten te maken?

a)

Glucose

b)

fotosynthese

c)

stikstofzouten

d)

koolstofdioxide

12.

Wat gebeurt er met de dode resten van planten in de stikstofkringloop?

a)

die lopen weg

b)

worden afgebroken in stikstofzouten

c)

er gebeurt verder niks

d)

ze verdwijnen

13.

Hoe gaat de kringloop van water?

a)

verdamping-->condensatie-->waterdamp-->neerslag

b)

waterdamp-->neerslag-->condensatie-->verdamping

c)

neerslag-->condensatie-->verdamping-->condensatie

d)

verdamping-->waterdamp-->condensatie-->neerslag

14.

Wat is het verschil tussen biotische en a-biotische factoren?

a)

geen verschil

b)

Biotisch=levend, a-biotisch=niet levend

c)

biotisch=dood, a-biotisch is levenloos

d)

biotisch=niet levend, a-biotisch is levend

15.

behoort een individu tot...?

a)

levensgemeenschap

b)

populatie

c)

ecosysteem

d)

allemaal