wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

naamvallen wanneer welke

Total questions: 13

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

De 1e naamval gebruiken we bij een

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

zelfstandig naamwoord altijd

2.

De 4e naamval gebruiken we bij een

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bij een voorzetsel met 4e naamval

3.

De 3e naamval gebruiken we voor een

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bij een voorzetsel met de 3e naamval

4.

De man zoent zijn vrouw. De man is hier

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

5.

De man zoent zijn vrouw. Zijn vrouw is hier

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

6.

De boer gaf zijn kippen vers voer

a)

De boer = ow, zijn kippen = lv, vers voer = mwvw

b)

De boer - mwvw, zijn kippen = ow, vers voer = lv

c)

De boer = ow, vers voer = lv, zijn kippen = mwvw

7.

Hij stond aan de deur te praten

a)

"Hij" = ow en "aan de deur" = meewerkend voorwerp

b)

"Hij" = ow en "aan de deur" = lijdend voorwerp

c)

"Hij" = ow en "aan de deur" = geen van drie

8.

Der Lehrer hat seine Schüler begrüßt

a)

Der Lehrer = 1e naamval

b)

Der Lehrer = 4e naamval

c)

seine Schüler = 3e naamval

d)

seine Schüler = 4e naamval

9.

Er schenkte seiner Frau zum Geburtstag einen Blumenstrauß (= hij schonk zijn vrouw voor de verjaardag een bos bloemen)

a)

"Er" = ow - "einen Blumenstrauß" = lv - "seiner Frau" = mwv

b)

"Er" = 1nv - "einen Blumenstrauß" = 4nv - "seiner Frau" = 3nv

c)

"Er" = 1nv - "einen Blumenstrauß" = 3nv - "seiner Frau" = 4nv

10.

Dieser Wein schmeckt <=smaakt> mir sehr gut

a)

"Dieser Wein" = ow - "mir" = lv

b)

"Dieser Wein" = lv - "mir" = ow

c)

"Dieser Wein" = ow - "mir" = mwvw

d)

"Dieser Wein" = lv - "mir" = ow

11.

Ich gebe meinem Freund ein Geschenk

a)

Ich = onderwerp, meinem Freund = lijdend voorwerp, ein Geschenk = meewerkend voorwerp

b)

Ich = onderwerp, meinem Freund = meewerkend voorwerp, ein Geschenk = lijdend voorwerp

c)

Ich = lijdend voorwerp, meinem Freund = onderwerp, ein Geschenk = meewerkend voorwerp

12.

De vrouw kust haar man. Haar man is hier:

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

13.

Das Essen schmeckt mir sehr gut

a)

"Das Essen" = ow - "mir" = lv

b)

"Das Essen" = lv - "mir" = ow

c)

"Das Essen" = ow - "mir" = mwvw