Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

materie

Total questions: 33

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.
Welk punt hoort niet bij het deeltjesmodel?
a)
Iedere stof is opgebouwd uit hele kleine deeltjes, moleculen.
b)
Elke stof heeft zijn eigen soort moleculen.
c)
Moleculen hebben altijd dezelfde snelheid.
d)
Moleculen trekken elkaar aan.
2.
Wat voor soort verschijnsel is een faseverandering?
a)
scheikundig
b)
natuurkundig
c)
biologisch
3.
In welke fase zijn de aantrekkingskrachten het grootst?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
d)
alle fasen
4.
Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de moleculen?
a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
5.
Wat gebeurt er met de aantrekkingskracht tussen de moleculen van water als het bevriest?
a)
De aantrekkingskracht wordt groter.
b)
De aantrekkingskracht wordt kleiner.
c)
De aantrekkingskracht blijft gelijk.
6.
Een stuk zeep ruikt vaak lekker. In welke fase is een stof die je ruikt?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
7.
Welke moleculen zitten er in suikerwater?
a)
suikerwatermoleculen
b)
alleen suikermoleculen
c)
suikermoleculen en watermoleculen
8.
Bij welke faseovergang gaan de moleculen sneller bewegen?
a)
stollen
b)
rijpen
c)
verdampen
d)
condenseren
9.
Bij welke faseovergang worden de aantrekkingskrachten tussen de moleculen groter?
a)
smelten
b)
condenseren
c)
verdampen
d)
vervluchten/sublimeren
10.

In welke fase zit deze afbeelding van het deeltjesmodel

a)

De vaste fase

b)

De vloeibare fase

c)

De gas fase

11.

Als de temperatuur van een stof stijgt......

a)

Gaan moleculen sneller bewegen en neemt de aantrekkingskracht toe.

b)

Gaan moleculen langzamer bewegen en neemt de aantrekkingskracht toe.

c)

Gaan moleculen sneller bewegen en neemt de aantrekkingskracht af.

d)

Gaan moleculen langzamer bewegen en neemt de aantrekkingskracht af.

12.

je verbrandt magnesium waarbij magnesiumoxide ontstaat. welk van onderstaande reactieschema's is juist?

a)

magnesiumoxide --> magnesium + warmte

b)

magnesium --> magnesiumoxide

c)

magnesiumoxide --> magnesium + zuurstof

d)

magnesium + zuurstof --> magnesiumoxide

13.

Wat geeft de pijl aan in een reactieschema?

a)

dat er een faseovergang heeft plaats gevonden

b)

Dat er een reactie heeft plaats gevonden

14.
Verdampen is een chemische reactie.
a)
waar
b)
niet waar
15.
Wat is een zuivere stof?
a)
Cola
b)
Bronwater (spa rood)
c)
Suiker
d)
Zuivere boslucht
16.

In een filter zitten kleine gaatjes. Het filtraat kan daar makkelijk doorheen. Het residu blijft achter omdat de korreltjes niet door de gaatjes kunnen. Hoe noem je deze methode om twee stoffen van elkaar te scheiden?

a)

Reduceren

b)

Extraheren

c)

Filtreren

d)

Evalueren

17.

In een filter zitten gemalen koffiebonen. Als je heet water op de gemalen koffie schenkt dan lossen de geur, kleur en smaakstoffen op in het water. Er loopt dan koffie uit het filter. Hoe noem je deze methode om met een oplosmiddel stoffen uit een vaste stof te spoelen?

a)

Reduceren

b)

Extraheren

c)

Filtreren

d)

Evalueren

18.
Welk van de onderstaande begrippen is geen scheidingsmethode?
a)
filtreren
b)
extraheren
c)
oplossen
d)
indampen
19.
Hoe kan je een opgeloste stof uit een oplosmiddel halen?
a)
filtreren
b)
indampen
c)
extraheren
d)
het gaat niet
20.
Hoe kan je zand zout en water scheiden?
a)
extraheren, filtreren en dan het filtraat indampen
b)
filtreren, extraheren en dan het residu indampen
c)
filtreren, filtraat extraheren en het extract indampen
d)
indampen, filtreren en het filtraat extraheren
21.
De wetenschappelijke eenheid van temperatuur is Kelvin. Hoe reken je om van graden celsius naar Kelvin?
a)
-100
b)
+100
c)
-273
d)
+273
22.

Bij welke temperatuur staan moleculen stil?

a)

0 °C

b)

273 °C

c)

-273 °C

23.

Bij welke temperatuur staan moleculen stil?

a)

0 Kelvin

b)

273 Kelvin

c)

-273 Kelvin

24.
Hoeveel atomen heeft deze molecule? H2O
a)
1
b)
3
c)
4
25.
Is water een atoom of een molecuul?
a)
Atoom
b)
Molecuul
26.
Een atoom verliest elektronen. Wat voor lading krijgt dit atoom?
a)
Negatief
b)
Positief
27.
Wat zijn isotopen?
a)
Atomen met zelfde aantal protonen, maar ander aantal neutronen.
b)
Atomen met zelfde aantal neutronen, maar ander aantal protonen.
c)
Atomen met zelfde massagetal.
d)
Atomen met zelfde aantal protonen, maar ander aantal elektronen.
28.

De kern van een atoom bestaat uit:

a)

Neutronen en elektronen

b)

Protonen en elektronen

c)

Neutronen en protonen

d)

Neutonen, protonen en elektronen

29.

Rondom de kern van een atoom bevinden zich:

a)

Elektronen

b)

Neutronen

c)

Protonen

d)

Elementen

30.

Atoom X heeft 26 protonen en 30 neutronen.

Wat is het massagetal van dit element?

a)

4

b)

26

c)

30

d)

56

31.

Atoom Y bevat 28 protonen en 30 neutonen. Wat is het massagetal van atoom Y?

a)

2

b)

28

c)

30

d)

58

32.

Atoom X heeft 26 protonen en 30 neutronen. Wat is het atoomnummer van dit element?

a)

4

b)

26

c)

30

d)

56

33.

Atoom Y heeft 28 protonen en 30 neutronen. Wat is het atoomnummer van dit atoom?

a)

2

b)

28

c)

30

d)

58