wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen voor het SO Thema 7: Bloemen, vruchten, zaden; Bouw van de bloem, bestuiving en bevruchting

Total questions: 36

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Welke kleur heeft de bloemkelk meestal?

a)

Paars

b)

Rood

c)

Geel

d)

Groen

2.

De stamper is het vrouwelijk voorplantingsorgaan van een plant. Uit welke onderdelen bestaat de stamper?

a)

Stempel, stijl en kroonblad

b)

Bloemkelk, Stijl en vruchtbeginsel

c)

Stempel, Stijl en vruchtbeginsel

d)

Vruchtbeginsel, Stempel en bloemkelk

3.

Hoe kun je stuifmeelkorrels het best omschrijven?

a)

Stuifmeelkorrels zijn de mannelijke voortplantingscellen.

b)

Stuifmeelkorrels zijn de vrouwelijke voortplantingscellen

c)

Stuifmeelkorrels zijn de eicellen van planten

d)

Stuifmeelkorrels zijn de grootste cellen van een plant

4.

Een bloemkelk bestaat uit kelkbladeren. Wat is de functie van deze groene kelkbladeren?

a)

De kelkbladeren beschermen de bloem tegen uitdroging en kou

b)

De kelkbladeren kunnen insecten naar de bloem lokken.

c)

De kelkbladeren maken stuifmeel aan.

5.

De bloemkroon bestaat uit kroonbladeren. Hoe kun je kroonbladeren het best omschrijven?

a)

Kroonbladeren zijn FEL gekleurd en kunnen insecten naar zich toe LOKKEN.

b)

Kroonbladeren zijn FEL gekleurd en BESCHERMEN de bloem.

c)

Kroonbladeren zijn meestal GROEN en LOKKEN insecten.

d)

Kroonbladeren zijn GROEN en BESCHERMEN de bloem.

6.

Een zaadplant maakt eicellen. Waar kun je die eicellen vinden?

a)

In de stempel

b)

In de stijl

c)

In het zaadbeginsel

d)

In de meeldraden

7.

Bijen kunnen bloemen (helpen bij het) bestuiven. Hoe lokken planten de bijen aan?

a)

Door de felle kleuren van de bloemen en het nectar dat een bloem maakt.

b)

Door de groene kleuren van de bloemen en het nectar dat een bloem maakt.

c)

Door de honing die bloemen maken.

d)

Door de felle kleur van de stamper en de honing die bloemen maken.

8.

Hebben de eicellen van een plant ook een kern?

a)

Ja

b)

Nee

9.

Is het vruchtbeginsel een deel van een stamper

a)

Ja

b)

Nee

10.

Welk antwoord is goed?

a)

In een Vruchtbeginsel zit maar één eicel

b)

In een Zaadbeginsel zit maar één eicel

c)

In een Zaadbeginsel zit meerdere eicellen

11.

Heeft gras ook bloemen?

a)

Nee

b)

Ja, maar die groeien niet door de kou

c)

Ja, maar die zijn klein en vallen niet op

d)

Ja, maar die worden door grazende dieren opgegeten

12.

Bekijk de afbeelding. Welk nummer geeft de stijl aan?

a)

1

b)

5

c)

6

d)

2

13.

Bekijk de afbeelding. Welk onderdeel helpt bij het lokken van bijen

a)

1

b)

2

c)

4

d)

3

14.

Bekijk de afbeelding. Welk nummer geeft de meeldraad aan?

a)

2

b)

7

c)

5

d)

3

15.

Bekijk de afbeelding. Welk deel van de plant beschermt de bloemkroon tegen kou en uitdroging?

a)

Nummer 6

b)

Nummer 4

c)

Nummer 3

d)

Nummer 1

16.

Hoeveel zaden heeft een vrucht?

a)

Dat ligt aan het aantal vruchtbeginsels

b)

Dat ligt aan het aantal bevruchte zaadbeginsels

c)

Dat ligt aan het aantal kiemen

17.

Wat is een kiem?

a)

Een jong plantje.

b)

Een plant met een éénjarige levenscyclus.

c)

Deel van een zaad met reservevoedslel.

d)

Het worteltje.

18.

Is een roos een windbloem?

a)

Ja

b)

Nee

19.

Lokken insectenbloemen insecten met hun stuifmeel?

a)

Ja

b)

Nee

20.

Liggen de stuifmeelkorrels bij de bestuiving op de meeldraden?

a)

Ja

b)

Nee

21.

Kan uit een vruchtbeginsels een komkommer ontstaan?

a)

Ja

b)

Nee

22.

Ontstaat bij bevruchting een bevruchte stuifmeelkorrel?

a)

Ja

b)

Nee

23.

Een stuifmeelkorrel van een roos valt op de tak van een andere rozenplant.

a)

Wel bestuiving

b)

Geen bestuiving

24.

Een stuifmeelkorrel van een roos valt op de stempel van de stamper van een andere roos.

a)

Wel bestuiving

b)

Geen bestuiving

25.

De stuifmeelkorrel van een narcis valt op de stempel van de stamper van een madeliefje.

a)

Wel bestuiving

b)

Geen bestuiving

26.

De stuifmeelkorrel van een hyacint valt op het vruchtbeginsel van een andere hyacint.

a)

Wel bestuiving

b)

Geen bestuiving

27.

Wat past er bij insectenbloemen?

a)

geen geur

b)

ruiken lekker

c)

gras

d)

tulp

28.

Hoe heet onderdeel 9?

a)

vruchtbeginsel

b)

zaadbeginsel

c)

kroonblad

d)

kelkblad

29.

Hoe heet onderdeel 7?

a)

kern van de stuifmeelkorrel

b)

kern van de eicel

c)

vruchtbeginsel

d)

eicel

30.

Hoe heet onderdeel 6?

a)

vruchtbeginsel

b)

zaadbeginsel

c)

eicel

d)

stuifmeelkorrel

31.

Hoe heet onderdeel 5?

a)

stempel

b)

vruchtbeginsel

c)

zaadbeginsel

d)

stijl

32.

Hoe heet onderdeel 4?

a)

eicel

b)

helmhokje

c)

kern van de stuifmeelkorrel

d)

kern van de eicel

33.

Hoe heet onderdeel 3?

a)

vruchtbeginsel

b)

zaadbeginsel

c)

kroonblad

d)

stuifmeelbuis

34.

Hoe heet onderdeel 2?

a)

stempel

b)

stamper

c)

vruchtbeginsel

d)

zaadbeginsel

35.

Hoe heet onderdeel 1?

a)

meeldraad

b)

stuifmeelkorrel

c)

kern van de eicel

d)

stempel

36.

Zaadplanten hebben bloemen. Waar gebruikt een zaadplant zijn bloemen voor? (de functie van bloemen)

a)

Een zaadplant maakt bloemen zodat deze verkocht kunnen worden in een winkel.

b)

Een zaadplant gebruikt zijn bloemen om zich voort te planten

c)

Een zaadplant gebruikt zijn bloemen om zuurstof in de lucht los te laten.

d)

Een zaadplant gebruikt zijn bloemen om voedingsstoffen op te nemen.