wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

bloed en bloedvatenstelsel

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Onderdeel 6 heet...

(a)  

2.

Onderdeel 11 heet...

(a)  

3.

Onderdeel 14 heet...

(a)  

4.

Het bloedvatenstelsel...

a)

Pompt het bloed door de bloedvaten naar alle organen in je lichaam.

b)

Is het belangrijkste orgaanstelsel van je lichaam

c)

zorgt voor het zuiveren van het bloed

d)

Is het enige orgaanstelsel dat je bewust kan aansturen

5.

Geeft koolstofdioxide af aan de longen.

a)

kleine bloedsomloop

b)

grote bloedsomloop

6.

Geeft zuurstof af aan de cellen.

a)

kleine bloedsomloop

b)

grote bloedsomloop

7.

Vervoert koolstofdioxide van de cellen.

a)

kleine bloedsomloop

b)

grote bloedsomloop

8.

Ontvangt zuurstof van de longen.

a)

kleine bloedsomloop

b)

grote bloedsomloop

9.

Geeft zuurstof af aan alle organen

a)

kleine bloedsomloop

b)

grote bloedsomloop

10.

Stroomt van het hart naar de longen en terug naar het hart

a)

kleine bloedsomloop

b)

grote bloedsomloop

11.

Wat is juist?

Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn.

a)

De linkerharthelft bevat

zuurstof rijkbloed

b)

De rechterharthelft pompt

het bloed naar de longslagader.

c)

De linkerharthelft pompt het bloed naar de aorta.

12.

Wat is juist?

Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn.

a)

Het hart heeft vier kamers.

b)

Het bloed komt het hart binnen via de kamers.

c)

Kleppen zorgen ervoor dat het bloed niet terugstroomt.

13.

Wat is waar?

Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn.

a)

In de grote bloedsomloop neemt het bloed zuurstof op in de longen.

b)

Het hart hoort bij het bloedvatenstelsel.

c)

Het bloed vervoert stoffen door het lichaam.

d)

De grote bloedsomloop

vervoert zuurstof aan alle organen.

14.

Wat is waar?

Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn!

a)

Rode bloedcellen kunnen door de wand van kleine bloedvaten heen.

b)

Bloedplaatjes zijn hele cellen.

c)

Bloedplasma kan koolstofdioxide vervoeren.

d)

Witte bloedcellen kunnen bacteriën insluiten.

15.

Welke onderdelen van het bloed vind je terug in een korstje van een bloedstolsel?

a)

Rode bloedcellen en bloedplaatjes

b)

Witte bloedcellen en bloedplaatjes

c)

Bloedplaatjes en bloedplasma

d)

Rode bloedcellen en bloedplasma

16.

Wat is de functies van de bloedplaatjes?

a)

Zuurstoftransport

b)

afweer

c)

bloedstolling

d)

kleur aan bloed geven

17.

Welke soort bloedcel zie je hier en wat is zijn functie

a)

Witte bloedcel, speelt een rol bij zuurstoftransport

b)

Rode bloedcel, speelt een rol bij de afweer

c)

Witte bloedcel, speelt een rol bij de afweer

d)

Rode bloedcel, speelt een rol bij zuurstoftransport

18.

Waaruit bestaat bloedplasma voor het grootste deel?

a)

Hormonen

b)

Antistoffen

c)

Eiwitten

d)

Water

19.

Hoeveel liter bloed heeft een volwassene?

a)

5-6 liter

b)

2-3 liter

c)

4-5 liter

d)

1-2 liter

20.

Bloed bestaat uit:

a)

Bloedplasma en water

b)

Bloedplasma en eiwitten

c)

Bloedplasma en bloedcellen

d)

Bloedplasma en afvalstoffen

21.

In de afbeelding zie je de haarvaten in een orgaan van de grote bloedsomloop. Deze stellingen worden gegeven welke is/zijn juist?

1. In de ader zijn meer afvalstoffen te vinden dan in de slagader

2. In de haarvaten neemt de hoeveelheid zuurstof in het bloed af

a)

1 juist

2 juist

b)

1 onjuist

2 onjuist

c)

1 onjuist

2 juist

d)

1 juist

2 onjuist

22.

De afbeelding laat een schematische weergave zien van de bloedsomloop. Het orgaan waarbij de letter A staat is de (a)  

23.

Welke uitspraak over aders klopt?

a)

De bloeddruk is hoog

b)

Veel aders liggen aan de oppervlakte van het lichaam

c)

Het bloed kan twee richtingen opstromen

d)

Veel aders hebben kleppen

24.
Het bloed in de slagaders....
a)
stroomt langzaam en de bloeddruk is laag
b)
stroomt snel en de bloeddruk is laag
c)
stroomt snel en de bloeddruk is hoog
d)
stroomt langzaam en de bloeddruk is hoog
25.

Het hart gebruikt ook zelf bloed. Welke bloedvaten brengen brengen het 'gebruikte' bloed weer terug naar de boezems?

a)

Kransslagaders

b)

Aorta

c)

kransaders

d)

Longslagader

26.

Welk van de onderstaande antwoorden geeft een beschrijving van haarvaten? Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn

a)

Hier stroomt zuurstofarm bloed doorheen

b)

Witte bloedcellen kunnen door de wand heen

c)

De wand is maar één cellaag dik

d)

Deze hebben een hoge bloeddruk

27.

De aorta heeft halvemaanvormige kleppen

a)

waar

b)

niet waar

28.

Door welke van deze bloedvaten stroomt ALTIJD zuurstofrijk bloed? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

a)

door de longader

b)

door de longslagader

c)

door de kransslagader

d)

Door slagaders

29.

In een tekst gaat het over de weg van het bloed van het hart naar de organen. Om welke bloedsomloop gaat het dan?

a)

de kleine bloedsomloop

b)

de grote bloedsomloop

30.

Stelling A en B gaan over afb. 1:

A Het bloed stroomt in de richting van pijl S

B Dit is een haarvat

a)

A = juist

B = juist

b)

A = onjuist

B = juist

c)

A = juist

B = onjuist

d)

A = onjuist

B = onjuist

31.

In welk type bloedvat is de bloeddruk het hoogst?

a)

in de aders

b)

in de haarvaten

c)

in de slagaders

32.

Welke onderdelen van het bloed vervoeren zuurstof?

a)

bloedplaatjes

b)

rode bloedcellen

c)

witte bloedcellen

33.

Wat is waar? Er kunnen meerder antwoorden goed zijn.

a)

Een harthelft heeft twee boezems en twee kamers.

b)

Bloedplasma bestaat uit water en opgeloste stoffen.

c)

De grootste slagader is de aorta

d)

kransaders bevatten zuurstofrijk bloed

34.

Marijke noemt deze kenmerken van een bloedvat:

‘Je voelt geen hartslag in dit bloedvat.

Soms liggen deze bloedvaten net onder de huid.’

Over welke bloedvaten heeft Marijke het?

a)

over aders

b)

over haarvaten

c)

over slagaders

35.

In de afbeelding zie je een schematische weergave van de bloedsomloop.

Als bloed in de longen begint en in het onderste orgaan moet eindigen, dan moet het minimaal (a)   keer door het hart

36.
In de buis zie je onderin een rode vloeistof. Waaruit bestaat het onderste gedeelte?
a)

Hemoglobine

b)

Bloedcellen

c)

Bloedplasma

d)

Witte bloedcellen

37.
Boven in de buis zie je een lichtgele vloeistof. Wat is dat?
a)
Witte bloedcellen
b)
Hemoglobine
c)
Bloedcellen
d)
Bloedplasma
38.

Wat is waar?

a)

Het bloedvatenstelsel bestaat uit het hart en de bloedvaten.

b)

Witte bloedcellen vervoeren zuurstof.

c)

De grote bloedsomloop brengt CO2 naar de organen

d)

De leverader is de enige ader die naar het hart toe stroomt

39.
Wat zit er tussen de rechterboezem en de rechterkamer?
a)
Hartkleppen
b)
Weefselvocht
c)
Hartvlier
d)
Hartwand
40.
Wat doet het hart ?
a)
Bloed zuurstof rijk maken
b)
Bloed pompen
c)
Bloed zuiveren
d)
Bloed opnemen