wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verbanden: opsomming, tegenstelling en oorzaak-gevolg

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.
a)

een opsomming

b)

een tegenstelling

c)

een gevolg - oorzaak

d)

een oorzaak - gevolg

2.
a)

een oorzaak - gevolg

b)

een tegenstelling

c)

een opsomming

d)

een gevolg - oorzaak

3.
a)

een oorzaak - gevolg

b)

een opsomming

c)

een gevolg - oorzaak

d)

een tegenstelling

4.
a)

een oorzaak - gevolg

b)

een opsomming

c)

een tegenstelling

d)

een gevolg - oorzaak

5.
a)

een opsomming

b)

een gevolg - oorzaak

c)

een oorzaak - gevolg

d)

een tegenstelling

6.
a)

een oorzaak - gevolg

b)

een gevolg - oorzaak

c)

een tegenstelling

d)

een opsomming

7.
a)

een tegenstelling

b)

een opsomming

c)

een gevolg - oorzaak

d)

een oorzaak - gevolg

8.
a)

een gevolg - oorzaak

b)

een tegenstelling

c)

een opsomming

d)

een oorzaak - gevolg

9.
a)

een opsomming

b)

een oorzaak - gevolg

c)

een gevolg - oorzaak

d)

een tegenstelling

10.
a)

een tegenstelling

b)

een opsomming

c)

een gevolg - oorzaak

d)

een oorzaak - gevolg

11.
a)

hoeven

b)

het centrum

c)

maar

d)

We

12.
a)

Door

b)

vergeetachtigheid

c)

had

d)

al

13.
a)

Mijn

b)

zijn

c)

delen

d)

en

14.
a)

Ik

b)

waardoor

c)

eerder

d)

was

15.
a)

Mijn

b)

stoelpoot

c)

doordat

d)

steeds

16.
a)

Wij

b)

naar

c)

bezoeken

d)

Tevens

17.
a)

Iemand

b)

fruitbakje

c)

Is

d)

of

18.
a)

Een opsomming en een oorzaak - gevolg.

b)

Een tegenstelling en een oorzaak - gevolg.

c)

Een opsomming en een gevolg - oorzaak.

d)

Een tegenstelling en een gevolg - oorzaak.

19.
a)

Een tegenstelling en een opsomming.

b)

Een opsomming en een gevolg - oorzaak.

c)

Een opsomming en een oorzaak - gevolg.

d)

Een tegenstelling en een gevolg - oorzaak.

20.
a)

Een opsomming en een oorzaak - gevolg.

b)

Een tegenstelling en een opsomming.

c)

Een tegenstelling en een oorzaak - gevolg.

d)

Een opsomming en een gevolg - oorzaak.

21.
a)

voorbeeld

b)

samenvatten

c)

opsomming

d)

tegenstelling

22.
a)

tegenstelling

b)

samenvatten

c)

oorzaak - gevolg

d)

opsomming

23.
a)

opsomming

b)

voorbeeld

c)

tegenstelling

d)

oorzaak - gevolg

24.
a)

Vader en moeder gingen naar de winkel.

b)

Joep krijgt een koekje, hoewel we zo gaan eten.

c)

Mijn zus werkt in een supermarkt.

d)

Doordat wij niet thuis waren, moest de postbode ons pakje bij de buren afgeven.

25.
a)

Er zat een barst in het kopje, omdat het van tafel was gevallen.

b)

Het been moest in het gips, omdat het gebroken was.

c)

De piloot snoot zijn neus, waardoor het vliegtuig plotseling omlaag dook.

d)

Hoewel het winter was, droeg mijn broer geen jas buiten.

26.
a)

De brandweerman rende het gebouw binnen, waardoor hij de vrouw redden kon.

b)

De auto had een grote deuk, omdat hij tegen een lantaarnpaal was gereden.

c)

De kapstok was vol, doordat er veel mensen waren gekomen.

d)

Er bleef soep over, want er waren niet veel liefhebbers.

27.
a)

Ik kies een lekker taartje uit.

b)

Ik kies een groot stuk koek uit.

c)

Ik vind dat ik niet teveel moet eten.

d)

Ik kies koek of taart.

28.
a)

Mijn oma ging met mijn zusje naar de dierentuin en ze bleef daarna slapen.

b)

Mijn zus bleef slapen, nadat ze naar de dierentuin was geweest met oma.

c)

Mijn oma liet mijn zusje bij haar slapen, want ze gingen naar de dierentuin.

d)

Mijn zusje sliep bij mijn oma, doordat ze naar de dierentuin waren geweest.

29.
a)

maar, echter, daarentegen .....

b)

en, of, ook ......

c)

daardoor, doordat, zodat .......

d)

omdat, want, daarom ......

30.
a)

Zijn altijd "zelfstandig naamwoorden".

b)

Zijn altijd "persoonlijk voornaamwoorden".

c)

Zijn soms "telwoorden".

d)

Zijn soms "voegwoorden".