NEW
Font size
WorksheetsVerbanden: opsomming, tegenstelling en oorzaak-gevolg
Total questions: 30
Worksheet time: 15mins
een opsomming
een tegenstelling
een gevolg - oorzaak
een oorzaak - gevolg
een oorzaak - gevolg
een tegenstelling
een opsomming
een gevolg - oorzaak
een oorzaak - gevolg
een opsomming
een gevolg - oorzaak
een tegenstelling
een oorzaak - gevolg
een opsomming
een tegenstelling
een gevolg - oorzaak
een opsomming
een gevolg - oorzaak
een oorzaak - gevolg
een tegenstelling
een oorzaak - gevolg
een gevolg - oorzaak
een tegenstelling
een opsomming
een tegenstelling
een opsomming
een gevolg - oorzaak
een oorzaak - gevolg
een gevolg - oorzaak
een tegenstelling
een opsomming
een oorzaak - gevolg
een opsomming
een oorzaak - gevolg
een gevolg - oorzaak
een tegenstelling
een tegenstelling
een opsomming
een gevolg - oorzaak
een oorzaak - gevolg
hoeven
het centrum
maar
We
Door
vergeetachtigheid
had
al
Mijn
zijn
delen
en
Ik
waardoor
eerder
was
Mijn
stoelpoot
doordat
steeds
Wij
naar
bezoeken
Tevens
Iemand
fruitbakje
Is
of
Een opsomming en een oorzaak - gevolg.
Een tegenstelling en een oorzaak - gevolg.
Een opsomming en een gevolg - oorzaak.
Een tegenstelling en een gevolg - oorzaak.
Een tegenstelling en een opsomming.
Een opsomming en een gevolg - oorzaak.
Een opsomming en een oorzaak - gevolg.
Een tegenstelling en een gevolg - oorzaak.
Een opsomming en een oorzaak - gevolg.
Een tegenstelling en een opsomming.
Een tegenstelling en een oorzaak - gevolg.
Een opsomming en een gevolg - oorzaak.
voorbeeld
samenvatten
opsomming
tegenstelling
tegenstelling
samenvatten
oorzaak - gevolg
opsomming
opsomming
voorbeeld
tegenstelling
oorzaak - gevolg
Vader en moeder gingen naar de winkel.
Joep krijgt een koekje, hoewel we zo gaan eten.
Mijn zus werkt in een supermarkt.
Doordat wij niet thuis waren, moest de postbode ons pakje bij de buren afgeven.
Er zat een barst in het kopje, omdat het van tafel was gevallen.
Het been moest in het gips, omdat het gebroken was.
De piloot snoot zijn neus, waardoor het vliegtuig plotseling omlaag dook.
Hoewel het winter was, droeg mijn broer geen jas buiten.
De brandweerman rende het gebouw binnen, waardoor hij de vrouw redden kon.
De auto had een grote deuk, omdat hij tegen een lantaarnpaal was gereden.
De kapstok was vol, doordat er veel mensen waren gekomen.
Er bleef soep over, want er waren niet veel liefhebbers.
Ik kies een lekker taartje uit.
Ik kies een groot stuk koek uit.
Ik vind dat ik niet teveel moet eten.
Ik kies koek of taart.
Mijn oma ging met mijn zusje naar de dierentuin en ze bleef daarna slapen.
Mijn zus bleef slapen, nadat ze naar de dierentuin was geweest met oma.
Mijn oma liet mijn zusje bij haar slapen, want ze gingen naar de dierentuin.
Mijn zusje sliep bij mijn oma, doordat ze naar de dierentuin waren geweest.
maar, echter, daarentegen .....
en, of, ook ......
daardoor, doordat, zodat .......
omdat, want, daarom ......
Zijn altijd "zelfstandig naamwoorden".
Zijn altijd "persoonlijk voornaamwoorden".
Zijn soms "telwoorden".
Zijn soms "voegwoorden".
