wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

OKAN- leren leren week 15 - herhaling

Total questions: 20

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Welke zin is juist?

a)

Ik fluisteren het juiste antwoord.

b)

Ik fluistert het juiste antwoord.

c)

Ik fluister het juiste antwoord.

d)

Ik fluiser het juiste antwoord.

2.

Welke zin is juist?

a)

Wij fluister iets in het oor van onze vriendin.

b)

Wij fluisteren iets in het oor van onze vriendin.

c)

Wij fluisteer iets in het oor van onze vriendin.

d)

Wij fluistert iets in het oor van onze vriendin.

3.

Welke zin is juist?

a)

Hij wisselen van plaats met Abdulrahman.

b)

Hij wissel van plaats met Abdulrahman.

c)

Hij wisselt van plaats met Abdulrahman.

d)

Hij wisseelt van plaats met Abdulrahman.

4.

Welke zin is juist?

a)

Jullie wisselen van kleren na het sporten.

b)

Jullie wisselt van kleren na het sporten.

c)

Jullie wisseel van kleren na het sporten.

d)

Jullie wissel van kleren na het sporten.

5.

Welke zin is juist?

a)

Ik draait me om naar de leerkracht.

b)

Ik draaien me om naar de leerkracht.

c)

Ik draaiien me om naar de leerkracht.

d)

Ik draai me om naar de leerkracht.

6.

Welke zin is juist?

a)

Jullie draai de glazen om.

b)

Jullie draaien de glazen om.

c)

Jullie draait de glazen om.

d)

Jullie draaijen de glazen om.

7.

Welke zin is juist?

a)

U roept naar uw vriendin aan de overkant van de straat.

b)

U roep naar uw vriendin aan de overkant van de straat.

c)

U roepen naar uw vriendin aan de overkant van de straat.

d)

U roepp naar uw vriendin aan de overkant van de straat.

8.

Welke zin is juist?

a)

De leerlingen roept niet in de klas.

b)

De leerlingen roep niet in de klas.

c)

De leerlingen roepen niet in de klas.

d)

De leerlingen roepp niet in de klas.

9.

Welke zin is juist?

a)

Jij ruim alles op na het knutselen.

b)

Jij ruimen alles op na het knutselen.

c)

Jij ruimm alles op na het knutselen.

d)

Jij ruimt alles op na het knutselen.

10.

Welke zin is juist?

a)

Wij ruim op het einde van het schooljaar de klas op.

b)

Wij ruimen op het einde van het schooljaar de klas op.

c)

Wij ruimt op het einde van het schooljaar de klas op.

d)

Wij rimen op het einde van het schooljaar de klas op.

11.

Welke vraagzin is juist?

a)

Roep jij jouw vriend?

b)

Roept jij jouw vriend?

c)

Roep jij jouw vriend.

d)

Jij roept jouw vriend?

12.

Welke vraagzin is juist?

a)

Draait jij de pannenkoek om?

b)

Jij draait de pannenkoek om?

c)

Draai jij de pannenkoek om?

d)

Draai jij de pannenkoek om.

13.

Welke vraagzin is juist?

a)

Ruimen jullie de keuken op.

b)

Ruimen jullie de keuken op?

c)

Ruimt jullie de keuken op?

d)

Jullie ruimen de keuken op?

14.

Welke vraagzin is juist?

a)

Fluister hij zachtjes iets in haar oor?

b)

Hij fluistert zachtjes iets in haar oor?

c)

Fluisteren hij zachtjes iets in haar oor?

d)

Fluistert hij zachtjes iets in haar oor?

15.

Welke vraagzin is juist?

a)

Wissel jij straks van plaats in de klas?

b)

Wisselt jij straks van plaats in de klas?

c)

Wissel jij straks van plaats in de klas.

d)

Jij wisselt straks van plaats in de klas?

16.

Welke zin is juist?

a)

Hij ruimt op met luide stem naar mevrouw Veerle aan de overkant van de straat.

b)

Hij wisselt met luide stem naar mevrouw Veerle aan de overkant van de straat.

c)

Hij roept met luide stem naar mevrouw Veerle aan de overkant van de straat.

d)

Hij fluistert met luide stem naar mevrouw Veerle aan de overkant van de straat.

17.

Welke zin is juist?

a)

Zij wisselt elke dag van kleren.

b)

Zij fluistert elke dag van kleren.

c)

Zij roept elke dag van kleren.

d)

Zij draait om elke dag van kleren.

18.

Welke zin is juist?

a)

Zij fluistert het vlees om in de pan.

b)

Zij ruimt het vlees om in de pan.

c)

Zij draait het vlees om in de pan.

d)

Zij roept het vlees om in de pan.

19.

Welke zin is juist?

a)

Wij fluisteren elke week de klas op.

b)

Wij wisselen elke week de klas op.

c)

Wij draaien elke week de klas op.

d)

Wij ruimen elke week de klas op.

20.

Welke zin is juist?

a)

Ik wissel iets in het oor van mijn buur.

b)

Ik ruim iets in het oor van mijn buur op.

c)

Ik fluister iets in het oor van mijn buur.

d)

Ik draai iets in het oor van mijn buur om.