wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Argus Clou natuur thema 2

Total questions: 39

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

De vier schijngestalten zijn:

a)

volle maan, laatste kwartier, nieuwe maan en eerste kwartier

b)

volle maan, laatste half uur, halve maan, en eerste half uur

c)

volle maan, laatste kwartier, halve maan en eerste kwartier

d)

geen van bovenstaande is juist

2.

Waar of niet waar?

De maan draait rondjes om de aarde, ongeveer één rondje in een maand.

a)

niet waar

b)

waar

3.

Waar of niet waar?

De maan geeft zelf geen licht.

a)

waar

b)

niet waar

4.

Als de maan precies voor de zon staat, gebeurt er iets bijzonders:

a)

een maansverduistering

b)

een zonsverduistering

5.

Als de aarde tussen de zon en de maan in staat, krijgt de maan een rode gloed. Dit noem je:

a)

een maansverduistering

b)

een zonsverduistering

6.

Waar of niet waar?

Een zonsverduistering komt vaker voor dan een maansverduistering.

a)

waar

b)

niet waar

7.

Welke uitspraak is waar.

a)

Op de evenaar zijn alle dagen ongeveer even lang.

b)

In Nederland zijn 's winters de dagen langer dan in de zomer.

c)

De zon staat 's winters hoger aan de hemel.

d)

Op de evenaar vallen zonnestralen schuin op de aarde.

8.

Waar of niet waar.

Het is warm in landen rond de evenaar, omdat de zonnestralen daar bijna recht op de aarde vallen.

a)

waar

b)

niet waar

9.

Welke uitspraak is waar?

a)

Het noordelijk halfrond is het deel van de aarde tussen de evenaar en de noordpool.

b)

Het noordelijk halfrond is het deel van de aarde tussen de woestijnen en de polen.

c)

Het noordelijk halfrond is het deel van de aarde tussen de evenaar en de zuidpool.

10.

Waar of niet waar?

Op het zuidelijk halfrond is het zomer als het bij ons winter is. En winter als het bij ons zomer is.

a)

waar

b)

niet waar

11.

We hebben seizoenen in Nederland door:

a)

de stand van de aardas.

b)

de stand van de evenaar.

c)

de stand van de noord- en zuidpool.

12.

Waar of niet waar?

De aardas is een ander woord voor de denkbeeldige lijn over de aarde die ook wel de evenaar wordt genoemd.

a)

waar

b)

niet waar

13.

Waar of niet waar?

De aardas is een denkbeeldige lijn dwars door de aarde, van de noordpool naar de zuidpool.

a)

waar

b)

niet waar

14.

Kies de goede antwoorden.

Voorbeelden van grondstoffen zijn:

a)

hout

b)

diamant

c)

steen

d)

boeken

15.

Hoe is de naam fossiele brandstof ontstaan?

a)

Doordat de brandstoffen heel erg oud zijn, net als fossielen dat zijn.

b)

Doordat de brandstoffen lijken op fossielen.

c)

Er is geen logische reden voor.

16.

Kies de goede antwoorden.

Voorbeelden van fossiele brandstoffen zijn:

a)

aardgas

b)

aardolie

c)

steenkool

d)

zonne-energie

17.

Waar wordt brandstof voor auto's, schepen en vliegtuigen van gemaakt?

a)

aardgas

b)

steenkool

c)

aardolie

18.

Van welke fossiele brandstof wordt plastic gemaakt?

a)

geen

b)

aardolie

c)

aardgas

d)

steenkool

19.

Waar staat de scheikundige naam CO2 voor?

a)

kooldioxide

b)

koolstofmonoxide

c)

koolstofdioxide

d)

koolstof

20.

Wat is het broeikaseffect?

a)

Dat CO2 wordt vastgehouden in de dampkring.

b)

Dat CO2 in de dampkring de warmte op aarde vasthoudt.

21.

Waar of niet waar?

Te veel CO2 in de dampkring zorgt voor de opwarming van de aarde.

a)

waar

b)

niet waar

22.

Waar of niet waar?

Hoe meer groene stroom we opwekken, hoe meer fossiele brandstoffen we nodig hebben.

a)

waar

b)

niet waar

23.

Waar of niet waar?

Een dynamo zet beweging om in energie.

a)

waar

b)

niet waar

24.

Een magneet heeft twee polen.

a)

noord en zuid

b)

noordpool en zuidpool

c)

noordelijk en zuidelijk

25.

Waar of niet waar.

Twee dezelfde polen in een magneet trekken elkaar aan.

a)

waar

b)

niet waar

26.

Waar of niet waar.

De functie van de spoel is het opvangen van de opgewekte energie.

a)

waar

b)

niet waar

27.

Wat is een elektromagneet?

a)

Een magneet die een andere magneet niet aantrekt.

b)

Een magneet die alle andere magneten afstoot.

c)

Een magneet die pas werkt als hij stroom heeft.

d)

Een magneet die niet op elektriciteit werkt.

28.

Waar of niet waar?

Een elektromagneet kan niet uit worden gezet.

a)

waar

b)

niet waar

29.

Waar of niet waar?

Wanneer de stroomkring is gesloten loopt er stroom door het draad.

a)

waar

b)

niet waar

30.

Welke onderdelen zitten in een elektromotor?

a)

een vaste gewone magneet

b)

een draaiende elektromagneet

c)

een losse gewone magneet

d)

geen van bovenstaande onderdelen zitten in een elektromotor.

31.

Lucht heeft drie belangrijke eigenschappen, namelijk:

a)

Je ziet het niet.

b)

Lucht neemt plaats in, het heeft ruimte nodig.

c)

Lucht oefent druk uit.

d)

Lucht bestaat alleen uit zuurstof.

32.

Waar of niet waar?

Je kunt de dampkring vergelijken met een dun schilletje om de aarde.

a)

waar

b)

niet waar

33.

Waar of niet waar?

In de ruimte is geen lucht.

a)

waar

b)

niet waar

34.

Welke zinnen zijn waar?

a)

In de ruimte ziet het heelal er zwart uit.

b)

De sterren fonkelen niet als je er in de ruimte naar kijkt. Dit komt doordat er geen bewegende luchtdeeltjes voor zitten.

c)

Sterren zie je niet veel beter vanaf de aarde.

d)

Lucht neemt geen ruimte in.

35.

Waar of niet waar?

Luchtdruk is het gewicht waarmee lucht tegen iets aan duwt.

a)

waar

b)

niet waar

36.

Waar of niet waar?

Het heelal is vacuüm.

a)

waar

b)

niet waar

37.

Waar of niet waar?

Je fietsband kan kapot klappen als je hem te hard oppompt. Dit komt omdat de luchtdruk dan te groot wordt.

a)

waar

b)

niet waar

38.

Wat is een hevel?

a)

Een hevel is een pomp die werkt met zwaartekracht.

b)

Een hevel is een pomp die werkt met luchtdruk.

c)

Een hevel is een pomp die werkt met zwaartekracht en luchtdruk.

d)

Een hevel is een pomp die werkt met zuurstof, zwaartekracht en luchtdruk.

39.

Vacuüm is:

a)

Ergens heel veel lucht in stoppen.

b)

Ergens een beetje lucht uit halen.

c)

Hetzelfde als een fietsband oppompen.

d)

Alle lucht eruit halen.