Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grieken en Romeinen

Total questions: 37

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen kenmerk van het GEMATIGD ZEEKLIMAAT?

a)

Warme winter

b)

Koele zomer

c)

Regen het gehele jaar

d)

Milde zomer

2.

De ..... verandert als je hoger in de bergen komt.

a)

Populatie

b)

Brandstoffen

c)

Vegetatie

d)

Collectie

3.

Akkers vind je vaak aan de ...

a)

Bovenkant

b)

De binnenlanden

c)

Zonkant

d)

Kust

4.

De hoeveelheid mensen in een land?

a)

Bevolkingsdichtheid

b)

Bevolkingsaantal

c)

Bevolkingsspreiding

d)

Bevolkingsverdeling

5.

Hier zie je het...

a)

Romeinse Rijk

b)

Egyptische Rijk

c)

Griekse Rijk

d)

Turkse Rijk

6.

Hoe noem je de manier van besturen in het Oude Athene

a)

Bureaucreatie

b)

Verkiezingen

c)

Communisme

d)

Democratie

7.

Welke belangrijke REDENEN zijn er om aan de kust te wonen?

a)

Handel

b)

Recreatie

c)

Visserij

d)

Zoet water

8.

De afstand tussen Arnhem en Nijmegen is 20 km. Dit is een voorbeeld van:

a)

Absolute afstand

b)

Relatieve afstand

c)

Lijnrechte afstand

d)

Hemelsbrede afstand

9.

Het oude Griekenland bestaat uit tientallen...

a)

Stadstaten

b)

Provincies

c)

Dorpen

d)

Eilanden

10.

Waarom was Griekenland niet geschikt voor de landbouw?

a)

Te weinig vegetatie

b)

Droogte

c)

Geen kust

d)

Weinig mest

11.

De .... is de noord-grens van het Romeinse Rijk

a)

Maas

b)

Rijn

c)

Waal

d)

IJssel

12.

Het reliëf in een gebied heeft invloed op de bevolkingsspreiding in dat gebied.

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Wat betekent het begrip reliëf?

a)

Plantengroei

b)

Hoogte

c)

Hoogteverschillen

d)

Hooggebergte

14.

Welke twee begrippen passen het best bij het begrip toerisme?

a)

Recreatie

b)

Reliëf

c)

Accomodatie

d)

Romeinen

15.

Wat waren de drie redenen waarom mensen vroeger in het Middellandse Zeegebied aan de kust gingen wonen?

a)

Het was vlak en vruchtbaar.

b)

Je kon er vissen.

c)

De mensen konden over zee makkelijk handel drijven.

d)

Omdat het zo mooi toeristisch was.

16.

De Romeinse cultuur verspreide zich doordat het leger gebieden veroverde en doordat Romeinen trouwden met de plaatselijke bevolking.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Waarom lijken de talen in Zuid-Europa op elkaar?

a)

Omdat deze talen zijn ontstaan uit het Latijn.

b)

Omdat deze talen zijn ontstaan uit het Grieks.

c)

Omdat alle talen in de wereld hetzelfde alfabet hebben.

18.

Wat is het verschil tussen recreatie en toerisme?

a)

De naam.

b)

Voor toerisme ga je ook werkelijk naar een ander gebied.

c)

Er is geen verschil tussen recreatie en toerisme.

19.

De absolute afstand is de moeite die het kost (tijd en/of geld) om ergens te komen.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Welke kenmerken hebben planten in het Middellandse Zeegebied.

a)

De bomen hebben dunne blaadjes.

b)

De bomen hebben dikke bladeren en een vetlaagje.

c)

De bomen hebben korte wortels.

d)

De bomen hebben lange wortels.

21.

Wat is de hoofdstad van Griekenland?

a)

Rome

b)

Firenze

c)

Madrid

d)

Athene

22.

Hoe noemen we een land dat ook een stad is?

a)

Luxemburg

b)

Ministaat

c)

Stadstaat

d)

Dwergstaat

23.

Door de komst van welk volk gingen de Grieken ten onder?

a)

Egyptenaren

b)

Germanen

c)

Gallieërs

d)

Romeinen

24.

Wie is de oppergod van de Grieken?

a)

Poseidon

b)

Zeus

c)

Hera

d)

Hades

25.

Wie is de god van de zee?

a)

Poseidon

b)

Hades

c)

Zeus

d)

Demeter

26.

Wie was de bekendste veldheer uit de Romeinse tijd?

a)

Brutus

b)

Augustus

c)

Caesar

d)

Vercingetorix

27.

Hoe noemen we het gebied die Caesar veroverde?

a)

Germania

b)

Italia

c)

Francia

d)

Gallia

28.

Wat was de natuurlijke grens van het Romeinse Rijk in Nederland?

a)

De Waal

b)

De Maas

c)

De Schelde

d)

De Rijn

29.

Welk volk leefde in Nederland ten tijde van de Romeinen?

a)

Galliërs

b)

Eburonen

c)

Bataven

d)

Picten

30.

Van welk volk was Latijn de taal?

a)

Romeinen

b)

Grieken

c)

Germanen

d)

Eburonen

31.

Wat is een Grieks woord voor stadstaat?

a)

Democratie

b)

Polis

c)

Stad

d)

Tirannie

32.

Welke bestuursvorm past bij de beschrijving hieronder:


Een manier van besturen waarbij het volk de leider mag kiezen en zelf meebestuurt.

a)

Aristocratie

b)

Democratie

c)

Koninkrijk

d)

Tirannie

33.

Waar gaan Griekse Mythen over?

a)

Verhalen over goden

b)

Verhalen over de wetenschap

c)

Verhalen over de geschiedenis

d)

Verhalen over de kunst

34.

In welk huidig land is het Romeinse Rijk ontstaan?

a)

Italië

b)

Duitsland

c)

Spanje

d)

Frankrijk

35.

Romeinen waren grote veroveraars. Welke van onderstaande landen hebben ze nooit helemaal kunnen veroveren? (gebruik de kaart)

a)

Spanje en Frankrijk

b)

Frankrijk en Nederland

c)

Nederland en Engeland

d)

Italië en Spanje

36.

Welke taal spraken de Romeinen?

a)

Frans

b)

Italiaans

c)

Grieks

d)

Latijn

37.

Welke van onderstaande stripfiguren passen het beste bij de Tijd van Grieken en Romeinen?

a)
b)
c)
d)