Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Je eigen omgeving

Total questions: 35

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.
1. Leren over de aarde en de wereld om je heen.
a)
Het Jeugdjournaal
b)
NOS journaal
c)
Maatschappijleer
d)
Aardrijkskunde
2.
Hoe heet de weg die je neemt
a)
Richting
b)
Bestemming
c)
Route
d)
Koers
3.

Welk begrip past er. Mensen zijn op zoek naar werk en gaan daarom naar de stad verhuizen.

a)

Urbanisatie

b)

Suburbanisatie

4.

Een stad met eraan vast gegroeide dorpen noemen we een?

a)

Stad

b)

agglomeratie

c)

stadsgewest

d)

stedelijk netwerk

5.

Welk begrip past? Hierdoor hebben mensen ruimte in huis en plaats om te parkeren

a)

Urbanisatie

b)

Suburbanisatie

6.

Door de toegenomen welvaart en mobiliteit (auto's) in Nederland gingen mensen ...

a)

verhuizen naar de stad

b)

verhuizen buiten de stad

7.

Deze huizen uit 1930 zijn minder dicht op elkaar gebouwd. Welk soort wijk is dit?

a)

stadscentrum

b)

arbeiderswijken

c)

vooroorlogse wijken

d)

naoorlogse wijken

e)

jaren 70 wijken

8.

In deze wijk zijn de woningen snel en goedkoop gebouwd. Welk soort wijk is dat?

a)

stadscentrum

b)

arbeiderswijken

c)

vooroorlogse wijken

d)

naoorlogse wijken

e)

jaren 70 wijken

9.

In deze wijk vind je veel horeca

a)

stadscentrum

b)

arbeiderswijken

c)

vooroorlogse wijken

d)

naoorlogse wijken

e)

jaren 70 wijken

10.

Wat is de oudste wijk van een stad?

a)

stadscentrum

b)

arbeiderswijken

c)

vooroorlogse wijken

d)

naoorlogse wijken

e)

jaren 70 wijken

11.

In 1850 groeiden de steden. Waardoor kwam dit?

a)

Door de uitvinding van machines was er minder werk op het platteland

b)

Omdat er in de stad veel meer horeca was

c)

Omdat er in de stad betere huizen waren

12.

Waar vind je veel landbouw, natuurgebieden en dorpjes?

a)

stad

b)

platteland

c)

overgangsgebied

13.

Welk gebied zie je hier duidelijk?

a)

stad

b)

platteland

c)

overgangsgebied

14.

Welk gebied was vroeger begrensd door een muur

a)

stad

b)

platteland

c)

overgangsgebied

15.

allochtoon?

a)

Iemand van wie 1 van de ouders in het buitenland geboren.

b)

Iemand van wie beide ouders in het buitenland geboren.

c)

Allebei de antwoorden zijn goed.

16.

Binnenstad?

a)

Centrum van een stad

b)

precies midden in een stad

c)

Allebeide antwoorden zijn goed

17.

*Woning voor 1 gezin*

a)

Eensgezinshuis

b)

Eengezinswoning

c)

Eengezindshuis

d)

Eengezindswoning

18.

Hoe veel verdiepingen: Hoogbouw?

a)

4

b)

4 of meer

c)

5

d)

5 of minder

19.

Tussen hoeveel is een *Oude woonwijk* gebouwd?

a)

Tussen 1870 en 1970

b)

Tussen 1820 en 1970

c)

Tussen 1870 en 1920

d)

Tussen 1820 en 1920

20.

Randstad?

a)

Amsterdam

b)

Rotterdam

c)

Zeeland

d)

Utrecht

e)

Den haag

21.

Landelijk gebied? (2 goed)

a)

veel bebouwing

b)

Weinig bebouwing

c)

Waar mensen veel komen

d)

Zelfde als platteland

22.

Welk probleem hadden de Nederlandse arbeiders rond 1900?

a)

Weinig loon, makkelijk werk

b)

Veel loon, makkelijk werk

c)

Veel loon, zwaar werk

d)

Weinig loon, zwaar werk

23.

Wat is het grootste stedelijke gebied van Nederland?

a)

Zaanstad

b)

Randstad

c)

Amsterdam

d)

Rotterdam

24.

Wat is geen kenmerk van een rijke villawijk?

a)

brede straten

b)

vooral koopwoningen

c)

grote tuinen

d)

vooral huurwoningen

25.

Als je de leefbaarheid in een wijk wilt meten, wat is dan GEEN meetinstrument?

a)

aantal koopwoningen

b)

autodichtheid

c)

onderhoud van de huizen

d)

aantal voorzieningen

26.

Wat hoort niet bij het verbeteren van de leefbaarheid van bewoners in een wijk?

a)

armoedebeleid

b)

gezondheid verbeteren

c)

meer contact met elkaar

d)

nieuwe kunststofkozijnen in de huizen

27.
Wat is vergrijzing? 
a)
Het percentage 65-plussers in een samenleving groeit.
b)
Het percentage werklozen in een samenleving groeit. 
28.
Wat is de beroepsbevolking?
a)
De mensen in een land die kunnen werken (20-65 jaar)
b)
Het percentage mensen dat een baan heeft.
29.

De volgende onderdelen horen bij het opnieuw inrichten van een wijk

a)

Armoede beleid

b)

Sloop en nieuwbouw

c)

Renovatie

d)

Wijkraad

30.

Met ongeveer hoeveel mensen nam de bevolking tussen 1850 en 2010 toe?

a)

Met 13 miljoen inwoners

b)

Met 17 miljoen inwoners

c)

Met 10 miljoen inwoners

d)

Met 7 miljoen inwoners

31.

De bevolkingstoename tussen 1950 en nu was vooral het gevolg van ....

a)

De dalende sterftecijfers

b)

De natuurlijke bevolkingsgroei

c)

De afnemende emigratie

d)

De immigratie

32.

Waar staat de letter C voor in deze afbeelding?

a)

De totale bevolkingsgroei

b)

De sociale bevolkingsgroei

c)

De natuurlijke bevolkingsgroei

33.
Het geboortecijfer gaat over het aantal levend geboren per ....
a)
10 inwoners
b)
100 inwoners
c)
1000 inwoners
d)
10000 inwoners
34.
Als er een geboorteoverschot is dan spreken we van een sociale bevolkingsgroei
a)
Juist
b)
Onjuist
35.

Hoort deze bevolkingsgrafiek bij een arm of een rijk land?

a)

Deze bevolkingsgrafiek hoort bij een arm land.

b)

Deze bevolkingsgrafiek hoort bij een rijk land.

c)

Deze bevolkingsgrafiek hoort bij een land dat niet rijk en niet arm is.