wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nieuw Nederlands H3 1hv 6e editie

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welke teksten hebben vrijwel nooit een inleiding en slot?

a)

informatieve teksten

b)

overtuigende teksten

c)

amuserende teksten

d)

activerende teksten

2.

Wat is de functie van een anekdote in een tekst?

a)

Het geeft een samenvatting van een tekst.

b)

Het zorgt voor een leuke afsluiting.

c)

De lezer wordt nieuwsgierig naar de rest van de tekst.

d)

Het zorgt voor ontspanning bij de lezer.

3.

Een hoofdgedachte... (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

staat soms letterlijk in de tekst.

b)

kun je in elke alinea vinden.

c)

vind je door globaal te lezen.

d)

staat meestal in de inleiding of het slot.

4.

Precies lezen is...

a)

het bekijken van plaatjes en tussenkopjes.

b)

het lezen van de titel en elke alinea.

c)

het zoeken van een bepaald antwoord.

d)

het bestuderen van de inleiding.

5.

Voorbeelden in een tekst vind je niet..

a)

na een signaalwoord

b)

in de conclusie

c)

na een dubbele punt

d)

voor een moeilijk woord

6.

Spreekwoorden horen bij...

a)

letterlijk taalgebruik

b)

figuurlijk taalgebruik

c)

vreselijk taalgebruik

7.

De pv is soms het werkwoordelijk gezegde.

a)

klopt

b)

klopt niet

8.

Mijn vader haalt ons vanavond op.

a)

wg = haalt

b)

wg = haalt ons op

c)

wg = haalt op

d)

wg = ophalen

9.

Waarom zit jij er doorheen te praten?

a)

wg = waarom praten

b)

wg = zit praten

c)

wg = waarom zit te praten

d)

wg = zit te praten

10.

Lijdend voorwerp vind je door de vraag:

a)

wie of wat + pv/wg + ow?

b)

aan wie of voor wie + pv/wg + ow?

c)

wie of wat + wg?

11.

Het hulpwerkwoord...

a)

staat meestal achteraan

b)

staat altijd in een zin

c)

is altijd een vorm van 'hebben', 'worden' of 'zijn'.

d)

kan soms de pv zijn

12.

'Maar' hoort bij het tekstverband...

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

toelichting

d)

conclusie

13.

'Bovendien' hoort bij het tekstverband...

a)

Tijd

b)

Tegenstelling

c)

Opsomming

d)

Voorbeeld

14.

Als de klemtoon op -ie ligt, wordt het meervoud:

a)

+en, met trema op de eerste e

b)

+en, met trema op de laatste e

c)

+n, met trema op de e

d)

+n, zonder trema

15.

Als een woord eindigt met -ee, wordt het meervoud:

a)

+n, zonder trema

b)

+n, met trema

c)

+en, trema op laatste e

d)

+en, trema op middelste e