wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

oefentoets bio H5 stevigheid en bewegen

Total questions: 41

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Het skelet heeft 4 functies. Welke NIET??

a)

stevigheid geven (zodat je rechtop kunt staan)

b)

beweging mogelijk maken

c)

groeien

d)

beschermen van organen

e)

vormgeven aan het lichaam

2.

De botten van mensen kunnen bewegen doordat: (2 antwoorden)

a)

Je hersenen seintjes naar je botten sturen

b)

Er spieren aan de botten zitten, die de botten laten bewegen.

c)

De botten met gewrichten iets los van elkaar zitten

d)

Ze veel lijmstof bevatten en daardoor erg buigzaam zijn.

3.

Welk van de drie dieren op de foto heeft een GESTROOMLIJND lichaam?

a)

de zeedraak

b)

het hert

c)

de zwaluw

4.

Bij welke van deze drie is het loop oppervlakte het grootste?

a)

zoolgangers

b)

teengangers

c)

topgangers / hoefgangers

5.

De poema behoort tot de:

a)

zoolgangers

b)

teengangers

c)

topgangers / hoefgangers

6.

De zebra behoort tot de:

a)

zoolgangers

b)

teengangers

c)

topgangers / hoefgangers

7.

Wat is waar?

De beenderen van een baby bestaan voornamelijk uit;

a)

beenweefsel

b)

kraakbeen weefsel

8.

Welke stof geeft stevigheid aan beenweefsel?

a)

kalkzouten

b)

lijmstof

9.

Wat is voor behandeling heeft het botje op de foto ondergaan? Kies het juiste antwoord

a)

Botje is in de vlam gehouden, lijmstof is verdampt

b)

Botje is in de vlam gehouden, kalkzouten zijn verdampt

c)

Botje heeft in zoutzuur gelegen, lijmstof is opgelost

d)

Botje heeft in zoutzuur gelegen, kalzouten zijn opgelost

10.

Bij wat voor bot verbinding zijn twee of meer beenderen tot één geheel geworden?

a)

door een gewricht

b)

door een naad

c)

door kraakbeen

d)

vergroeid

11.

Bij welke twee verbindingen is geen beweging mogelijk?

a)

door een gewricht

b)

door een naad

c)

door kraakbeen

d)

vergroeid

12.

Welke verbinding zie je in het plaatje (tussen de vingers)?

a)

een gewricht

b)

een naad

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

13.

Welke verbinding zie je in het plaatje tussen de ribben en het borstbeen (blauw rode deel)?

a)

een gewricht

b)

een naad

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

14.

Welke verbinding zie je in het plaatje van de schedel?

a)

een gewricht

b)

een naad

c)

kraakbeen

d)

vergroeid

15.

Bekijk de twee röntgenfoto's.

Botten met veel kalkzouten worden op de foto witter.

Welke foto is van een kind?

a)

foto1

b)

foto2

16.

Hoe noem je deel 1?

a)

gewrichtskogel

b)

gewrichtskom

c)

kraakbeen

d)

gewrichtkapsel

e)

kapselband

17.

Hoe noem je deel 3?

a)

gewrichtskogel

b)

gewrichtskom

c)

kraakbeen

d)

gewrichtkapsel

e)

kapselband

18.

Met welk deel is gewrichtsmeer weergegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

19.

Welke deel houden de botten op zijn plaats?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

20.

Welke twee delen zorgen er voor dat een gewricht soepel kunnen bewegen?

a)

gewrichtskogel

b)

gewrichtskom

c)

kraakbeen

d)

gewrichtkapsel

e)

gewrichtssmeer

21.

Bij welk gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?

a)

kogelgewricht

b)

scharniergewricht

c)

rolgewricht

22.

Welk gewricht zit er tussen je ellepijp en je spaakbeen?

a)

kogelgewricht

b)

scharniergewricht

c)

rolgewricht

23.

Welk gewricht zit er tussen de laatste twee kootjes van je vingers?

a)

kogelgewricht

b)

scharniergewricht

c)

rolgewricht

24.

Wat gebeurd er met de lengte en omvang van een spier die samen trekt?

a)

de spier die samentrekt wordt korter en dunner

b)

de spier die samentrekt wordt korter en dikker

c)

de spier die samentrekt wordt langer en dunner

d)

de spier die samentrekt wordt langer en dikker

25.

Wat is waar? Antagonisten:

a)

werken elkaar tegen

b)

zijn spieren waarvan het samentrekken een tegenovergesteld effect heeft, dus samen werken

26.

Welke spieren trekken samen als de arm naar boven wordt gebogen?

a)

de arm trek spier en buigspier zijn samen samengetrokken

b)

alleen de arm buigspier

c)

alleen de buigspier

d)

geen van beiden spieren zijn samen getrokken

27.

zit de man in de juiste houding?

a)

ja prima, zijn wervelkolom is in een dubbele S vorm

b)

nee, zijn wervelkolom is niet in een dubbele S vorm

28.

Wat zijn tussen wervel schijven?

a)

De wervels op borst hoogte

b)

Het onderste deel van de wervelkolom

c)

Het kraakbeen dat zich tussen de wervels bevindt.

d)

Losliggende wervels

29.

Wat is de juiste manier van tillen op het plaatje?

a)

A

b)

B

c)

C

30.

Piet staat nog maar 30 minuten op de squashbaan als hij stekende pijn aan zijn kuit krijgt. Na een uur kan hij nog steeds bijna niet lopen. Wat is waar?

a)

Deze blessure kan alleen ontstaan door een slechte conditie, niet door overbelasting

b)

Deze blessure kan alleen ontstaan door overbelasting, niet door een slechte conditie

c)

Deze blessure kan zowel ontstaan door een slechte conditie als door overbelasting.

31.

Piet staat nog maar 30 minuten op de squashbaan als hij stekende pijn aan zijn kuit krijgt. Na een uur kan hij nog steeds bijna niet lopen. Wat kan hij hebben?

a)

een kneuzing

b)

een spierscheuring

c)

een verzwikking

d)

een breuk

32.

Wat voor blessure zie je op het plaatje?

a)

een botbreuk

b)

een ontwrichting

c)

een verzwikking

33.

Patrik gaat tijdens het sporten door zijn enkels, hij heeft een dikke bult en blauwe plek. De trainer koelt met ijs.

Wat is waar:

a)

ijs helpt tegen de pijn

b)

ijs helpt tegen de zwelling

c)

ijs helpt tegen de zwelling en de pijn

34.

Wat is er aan de hand met een voetbal knie?

a)

Het kogelgewricht is uit de gewrichtkom geschoten

b)

De aanhechtingsplaats van de kniepees is ontsteken

c)

In het kniegewricht is een stukje kraakbeen gescheurd

35.

Waarom wordt er bij een breuk gips aangebracht

a)

Om de bot helften in de goede stand (plek) te houden

b)

Om inwendige bloedingen tegen te gaan

c)

Om de pijn te verminderen

36.

Hoe heet deel 1?

a)

voorhoofdbeen

b)

achterhoofdbeen

c)

slaapbeen

d)

jeukbeen

e)

wiggenbeen

37.

Hoe heet deel 3?

a)

voorhoofdbeen

b)

achterhoofdbeen

c)

slaapbeen

d)

jeukbeen

e)

wiggenbeen

38.

Met welk nummer is het jeukbeen aangegeven

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

e)

6

39.

Met welk nummer is het wandbeen aangegeven

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

e)

6

40.

Wat is de fontanelle

a)

de bot delen van het voorhoofd

b)

de bot delen van de kaak

c)

de ruimte tussen de schedelbeenderen bij baby's

d)

de ruimte tussen de schedelbeenderen bij ouderen

41.

In het lichaam komt botweefsel eb kraakbeen weefsel voot. Waar komt tussencelstof voor?

a)

alleen in botweefsel

b)

alleen in kraakbeen weefsel

c)

in botweefsel en kraakbeen weefsel