Worksheets7.1
Total questions: 19
Worksheet time: 10mins
Iedere stof heeft zijn ............. moleculen.
verschillende
deel verschillende deel eigen soort
eigen soort
Welke eigenschappen hebben de moleculen volgens het deeltjesmodel?
veranderen constant, bewegen constant, trekken elkaar aan.
veranderen niet, bewegen constant, trekken elkaar aan
veranderen niet, bewegen niet, trekken elkaar aan.
veranderen niet , bewegen constant, trekken elkaar niet aan
De meeste stoffen kunnen in drie fasen voorkomen.
In welke fase hebben de moleculen de minste bewegingsvrijheid?
vast stof
vloeibaar
gas
In welke fase zijn de krachten tussen de moleculen het grootst?
vast stof
vloeibaar
gas
In welke fase is de ruimte tussen de moleculen het grootst?
vast stof
vloeibaar
gas
Natuurkunde en scheikunde gaan beide over veranderingen.
Over welk soort veranderingen gaat natuurkunde?
over................... veranderingen
Omkeerbaar
Onomkeerbaar
Natuurkunde en scheikunde gaan beide over veranderingen.
Over welk soort veranderingen gaat scheikunde?
Over ................... veranderingen
Omkeerbaar
Onomkeerbaar
Een chemische reactie kun je opschrijven met behulp van een reactieschema.
Hoe noem je de stoffen die voor de pijl staan?
reactieproduct
beginstoffen
chemische reactie
Een chemische reactie kun je opschrijven met behulp van een reactieschema.
Hoe noem je de stoffen die na de pijl staan?
reactieproduct
beginstoffen
chemische reactie
waar of niet waar
In een ijsblokje bewegen de moleculen niet.
Waar, ijs is vast dus de moleculen kunnen niet bewegen.
Niet waar, moleculen bewegen altijd.
waar of niet waar.
Als ijs smelt, veranderen de ijsmoleculen in watermoleculen
waar, ijs is vast en dus een andere soort molecuul dan wanneer het vloeibaar is.
niet waar, moleculen veranderen niet van vorm.
waar of niet waar
Als de temperatuur van een stof toeneemt, worden de moleculen groter.
waar, wanneer een stof warmer wordt zet deze uit dus de moleculen worden ook groter
niet waar, moleculen veranderen niet van grote.
waar of niet waar.
Tussen de moleculen van een gas zit veel lucht.
waar, wat moet er anders tussen zitten.
niet waar, er zit niets tussen de moelculen.
Als je water verhit tot boven de 1800 °C, breekt het watermolecuul in stukken. Er worden twee nieuwe stoffen gevormd: waterstof en zuurstof.
Is dit natuurkunde of scheikunde reactie?
natuurkunde
scheikunde
Bij de reactie tussen ijzer en chloor wordt ijzerchloride gevormd. Wat is de goede reactieschema?
ijzerchloride → ijzer + chloor
ijzerchloride + ijzer → chloor
ijzerchloride + chloor → ijzer
ijzer + chloor → ijzerchloride
Bij verhitting van calciumcarbonaat worden koolstofdioxide en calciumoxide gevormd.
Wat is de goede reactieschema
Calciumcarbonaat + koolstofdioxide → calciumoxide
Calciumcarbonaat + calciumoxide → koolstofdioxide
Calciumcarbonaat → koolstofdioxide + calciumoxide
koolstofdioxide + calciumoxide → calciumcarbonaat
Op campings worden gasflessen gebruikt. Die gasflessen zijn gevuld met butaan. Bij de verbranding van butaan ontstaan koolstofdioxide en water.
Geef het reactieschema voor de verbranding van butaan.
butaan → koolstofdioxide + water
butaan + zuurstof → koolstofdioxide + water
koolstofdioxide + water → butaan
koolstofdioxide + water → butaan + zuurtstof
Als bij de verbranding onvoldoende zuurstof wordt toegevoerd, wordt butaan onvolledig verbrand. Hierbij ontstaan water, koolstofmono-oxide en roet.
Geef het reactieschema voor de onvolledige verbranding van butaan
butaan → water + koolstofmono-oxide + roet
butaan + zuurstof → water + koolstofmono-oxide + roet
water + koolstofmono-oxide + roet → butaan
water + koolstofmono-oxide + roet → butaan + zuurtsof
Een suikerklontje bestaat uit een groot aantal kleine kristallen. Hieronder staan twee beweringen over de moleculen in zo'n kristal:
1) De moleculen hebben allemaal hun eigen vaste plaats.
2) De moleculen bewegen helemaal niet: ze staan stil.
Welke van deze beweringen is juist?
geen van beide
alleen 1
allen 2
zowel 1 en 2
