Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

7.1

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Iedere stof heeft zijn ............. moleculen.

a)

verschillende

b)

deel verschillende deel eigen soort

c)

eigen soort

2.

Welke eigenschappen hebben de moleculen volgens het deeltjesmodel?

a)

veranderen constant, bewegen constant, trekken elkaar aan.

b)

veranderen niet, bewegen constant, trekken elkaar aan

c)

veranderen niet, bewegen niet, trekken elkaar aan.

d)

veranderen niet , bewegen constant, trekken elkaar niet aan

3.

De meeste stoffen kunnen in drie fasen voorkomen.

In welke fase hebben de moleculen de minste bewegingsvrijheid?

a)

vast stof

b)

vloeibaar

c)

gas

4.

In welke fase zijn de krachten tussen de moleculen het grootst?

a)

vast stof

b)

vloeibaar

c)

gas

5.

In welke fase is de ruimte tussen de moleculen het grootst?

a)

vast stof

b)

vloeibaar

c)

gas

6.

Natuurkunde en scheikunde gaan beide over veranderingen.

Over welk soort veranderingen gaat natuurkunde?

over................... veranderingen

a)

Omkeerbaar

b)

Onomkeerbaar

7.

Natuurkunde en scheikunde gaan beide over veranderingen.

Over welk soort veranderingen gaat scheikunde?

Over ................... veranderingen

a)

Omkeerbaar

b)

Onomkeerbaar

8.

Een chemische reactie kun je opschrijven met behulp van een reactieschema.

Hoe noem je de stoffen die voor de pijl staan?

a)

reactieproduct

b)

beginstoffen

c)

chemische reactie

9.

Een chemische reactie kun je opschrijven met behulp van een reactieschema.

Hoe noem je de stoffen die na de pijl staan?

a)

reactieproduct

b)

beginstoffen

c)

chemische reactie

10.

waar of niet waar

In een ijsblokje bewegen de moleculen niet.

a)

Waar, ijs is vast dus de moleculen kunnen niet bewegen.

b)

Niet waar, moleculen bewegen altijd.

11.

waar of niet waar.

Als ijs smelt, veranderen de ijsmoleculen in watermoleculen

a)

waar, ijs is vast en dus een andere soort molecuul dan wanneer het vloeibaar is.

b)

niet waar, moleculen veranderen niet van vorm.

12.

waar of niet waar

Als de temperatuur van een stof toeneemt, worden de moleculen groter.

a)

waar, wanneer een stof warmer wordt zet deze uit dus de moleculen worden ook groter

b)

niet waar, moleculen veranderen niet van grote.

13.

waar of niet waar.

Tussen de moleculen van een gas zit veel lucht.

a)

waar, wat moet er anders tussen zitten.

b)

niet waar, er zit niets tussen de moelculen.

14.

Als je water verhit tot boven de 1800 °C, breekt het watermolecuul in stukken. Er worden twee nieuwe stoffen gevormd: waterstof en zuurstof.

Is dit natuurkunde of scheikunde reactie?

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

15.

Bij de reactie tussen ijzer en chloor wordt ijzerchloride gevormd. Wat is de goede reactieschema?

a)

ijzerchloride →\rightarrow ijzer + chloor

b)

ijzerchloride + ijzer →\rightarrow chloor

c)

ijzerchloride + chloor →\rightarrow ijzer

d)

ijzer + chloor →\rightarrow ijzerchloride

16.

Bij verhitting van calciumcarbonaat worden koolstofdioxide en calciumoxide gevormd.

Wat is de goede reactieschema

a)

Calciumcarbonaat + koolstofdioxide →\rightarrow calciumoxide

b)

Calciumcarbonaat + calciumoxide →\rightarrow koolstofdioxide

c)

Calciumcarbonaat →\rightarrow koolstofdioxide + calciumoxide

d)

koolstofdioxide + calciumoxide →\rightarrow calciumcarbonaat

17.

Op campings worden gasflessen gebruikt. Die gasflessen zijn gevuld met butaan. Bij de verbranding van butaan ontstaan koolstofdioxide en water.

Geef het reactieschema voor de verbranding van butaan.

a)

butaan →\rightarrow koolstofdioxide + water

b)

butaan + zuurstof →\rightarrow koolstofdioxide + water

c)

koolstofdioxide + water →\rightarrow butaan

d)

koolstofdioxide + water →\rightarrow butaan + zuurtstof

18.

Als bij de verbranding onvoldoende zuurstof wordt toegevoerd, wordt butaan onvolledig verbrand. Hierbij ontstaan water, koolstofmono-oxide en roet.

Geef het reactieschema voor de onvolledige verbranding van butaan

a)

butaan →\rightarrow water + koolstofmono-oxide + roet

b)

butaan + zuurstof →\rightarrow water + koolstofmono-oxide + roet

c)

water + koolstofmono-oxide + roet →\rightarrow butaan

d)

water + koolstofmono-oxide + roet →\rightarrow butaan + zuurtsof

19.

Een suikerklontje bestaat uit een groot aantal kleine kristallen. Hieronder staan twee beweringen over de moleculen in zo'n kristal:


1) De moleculen hebben allemaal hun eigen vaste plaats.

2) De moleculen bewegen helemaal niet: ze staan stil.


Welke van deze beweringen is juist?

a)

geen van beide

b)

alleen 1

c)

allen 2

d)

zowel 1 en 2