wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 basis hoofdstuk 5 warmte paragraaf 2 + 3 + 5

Total questions: 46

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Klik op alle warmte-bronnen.

a)

de zon

b)

een gasfornuis

c)

een stopcontact

d)

een jas

e)

een elektrische kachel

2.

Om warmte te maken, heb je eerst een andere vorm van energie nodig.


Je gebruikt een strijkijzer als warmte-bron. Welke energie heeft het strijkijzer nodig om warmte te kunnen maken?

a)

bewegingsenergie

b)

chemische energie

c)

elektrische energie

d)

kern energie

3.

Welke stelling is niet waar?

a)

Een elektrische warmte-bron zet elektrische energie om in warmte.

b)

Een elektrische warmte-bron maakt elektrische energie.

c)

De zon is de belangrijkste warmte-bron die we hebben.

4.

Wat zijn voorbeelden van elektrische warmte-bronnen?

a)

de zon

b)

een fohn

c)

een strijkijzer

d)

een waterkoker

5.

Wat is waar?

a)

alle elektrische warmtebronnen hebben een stekker

b)

in alle elektrische warmtebronnen zit een ventilator

c)

in alle elektrische warmtebronnen zit een verwarmingselement

6.

Hoe noem je de energie in brandstoffen?

a)

bewegingsenergie

b)

elektrische energie

c)

chemische energie

d)

kern energie

7.

Welke warmte-bronnen werken op chemische energie?

a)

de ketel van de centrale verwarming (CV-ketel)

b)

een fohn

c)

een keuken geiser

d)

het koffiezet apparaat

8.

De energie in brandstoffen noem je ..... energie.

a)

elektrische

b)

chemische

c)

kern

d)

warmte

9.

Welke warmte-bronnen werken op chemische energie?

a)

een aansteker

b)

een elektrische kachel

c)

een kampvuur

d)

een waterkoker

10.

Bij een goede verbranding is er .... zuurstof.

a)

te weinig

b)

voldoende

c)

te veel

11.

Een ander woord voor een goede verbranding is ......... verbranding.

a)

volledige

b)

onvolledige

12.

Bij een goede verbranding ontstaan waterdamp en .........

a)

koolstofdioxide

b)

zuurstof

c)

roet

13.

Bij onvolledige verbranding kan een vaste stof ontstaan. Deze vaste stof is zwart van kleur.


Welke vaste stof kan dat zijn?

a)

koolstofdioxide

b)

roet

c)

waterdamp

14.

Bij een slechte verbranding is er ....... zuurstof.

a)

te weinig

b)

voldoende

c)

te veel

15.

Een ander woord voor een slechte verbranding is ......... verbranding.

a)

volledige

b)

onvolledige

16.

Bij een slechte verbranding kunnen roet, waterdamp en

.......... ontstaan.

a)

giftige gassen

b)

koolstofdioxide

c)

zuurstof

17.

In je cv-ketel wordt aardgas verbrand. Bij de verbranding is voldoende zuurstof aanwezig.


Welke verbrandings-gassen ontstaan er?

a)

giftige gassen

b)

koolstofdioxide

c)

waterdamp

d)

zuurstof

18.

Welke beweringen zijn waar?

a)

omdat er veel koolstofdioxide in de lucht komt verandert het klimaat

b)

koolstofdioxide is niet goed voor het klimaat

c)

koolstofdioxide is slecht voor bomen en planten

19.

Waardoor komt er meer koolstof-dioxide in de lucht?

a)

door elektriciteit te maken met windmolens

b)

door het gebruik van een CV-ketel met een gasketel

c)

door het gebruik van zonnepanelen

20.

Welke stoffen veroorzaken zure regen?

a)

koolstofdioxide

b)

stikstof

c)

zuurstof

d)

zwavel

21.

Waardoor komt er meer koolstof-dioxide in de lucht?

a)

door elektriciteit te maken met windmolens

b)

door het gebruik te maken van zonnepanelen

c)

door het verbranden van afval

22.

Wat zijn de drie voorwaarden voor een verbranding?

a)

de brandstof moet de ontbrandingstemperatuur hebben

b)

er moet een brandstof zijn

c)

er moet voldoende warmte zijn

d)

er moet voldoende zuurstof zijn

23.

Een houtvuur brandt niet goed. Door er zachtjes in te blazen gaat het harder branden.


Waarom gaat het vuur harder branden?

a)

door te blazen voeg je extra warmte toe

b)

door te blazen voeg je extra zuurstof toe

c)

het hout komt boven zijn ontbrandingstemperatuur

24.

In een open haard liggen blokken hout. Ze branden niet.


Welke voorwaarde voor verbranding ontbreekt?

a)

brandstof

b)

de ontbraningstemperatuur

c)

zuurstof

25.

Een gas-leiding staat in brand. Om de brand te blussen, draait de brandweer de gaskraan dicht.


Welke voorwaarde voor verbranding haalt de brandweer weg?

a)

de brandstof

b)

de ontbrandingstemperatuur

c)

de zuurstof

d)

alle brandvoorwaarden

26.

Je zet een kaars onder een limonadeglas. Even later brandt de kaars niet meer.


Waarom brandt de kaars niet meer?

a)

er zit geen zuurstof meer onder het limonadeglas

b)

het kaarsvet is gesmolten

c)

het kaarsvet is onder de ontbrandingstemperatuur gekomen

27.

Een huis staat in brand. De brandweer blust het vuur met water.


Welke voorwaarde voor verbranding haalt de brandweer weg?

a)

de brandstof

b)

de ontbrandingstemperatuur

c)

de zuurstof

28.

Je bent aan het frituren. De vlam slaat in de pan en het vet in de pan vliegt in brand. Je doet het deksel op de pan.


Welke voorwaarde voor verbranding haal je weg?

a)

de brandstof

b)

de ontbrandingstemperatuur

c)

de zuurstof

29.

Waarmee regel je de temperatuur in de woonkamer?

a)

met de cv-ketel

b)

met de pomp

c)

met de thermostaat

d)

met de warmtewisselaar

30.

Wat is waar?

a)

de warmtewisselaar verwarmt de lucht in de kamer

b)

in de radiator wordt aardgas verwarmt

c)

in de warmtewisselaar wordt aardgas verbrand

d)

in de warmtewisselaar wordt koud water opgewarmd

31.

Welk apparaat zorgt ervoor dat het water rond blijft stromen in de cv?

a)

de cv-ketel

b)

de pomp

c)

de thermostaat

d)

de warmtewisselaar

32.

Wat is waar?

a)

de radiatoren verwarmen de lucht in de kamer

b)

de warmtewisselaar regelt de temperatuur in de kamer

c)

in de radiatoren wordt aardgas verbrand

d)

in de warmtewisselaar wordt aardgas verbrand

33.

Warmte-transport betekent dat

a)

chemische energie wordt omgezet in warmte

b)

elektrische energie wordt omgezet in warmte

c)

warmte van de ene plaats naar de andere wordt gebracht

34.

Wat is niet waar?

a)

Warme lucht stroomt omlaag.

b)

De warme lucht rond de radiator stijgt omhoog.

c)

Metaal is een goede warmte-geleider.

d)

Staal geleidt de warmte goed. Daarom is de warmtewisselaar in een cv-ketel van staal gemaakt.

35.

Wat is niet waar?

a)

In een radiator geleidt het metaal de warmte van het water naar de lucht.

b)

Je neemt een warme douche. Er is dan warmte-transport van het water naar jouw lichaam.

c)

Warmte-transport betekent dat warmte van de ene plaats naar de andere wordt gebracht.

d)

Je pakt een beker met hete koffie vast. Er is dan warmte-transport van de beker naar jouw hand.

e)

Staal geleidt de warmte slecht. Daarom worden radiatoren van staal gemaakt.

36.

Je houdt je hand naast een brandende kaars. Wat gebeurt er?

a)

je brand je hand. de warme lucht stroomt namelijk alle kanten op

b)

je brand je hand niet, warme lucht stroomt omhoog en niet opzij

37.

Je houdt je hand boven een brandende kaars. Wat gebeurt er?

a)

je brandt je hand, warme lucht stroomt omhoog

b)

je brand je hand niet, warmte lucht stroomt omlaag

38.

Welke manier van warmtestroming zie je hier?

a)

straling

b)

geleiding

c)

stroming

39.

Een ander woord voor warmte-straling is ...........-straling.

a)

stroming

b)

geleiding

c)

straling

d)

warmte

e)

infrarood

40.

Op het strand staat een enorme hoeveelheid hout in brand. Ook op grote afstand van het vuur voel je de warmte.


Hoe bereikt de warmte jouw lichaam?

a)

geleiding

b)

straling

c)

stroming

41.

Een ander woord voor warmte-straling is infrarood-straling.

Infrarood-straling kun je ..........

a)

alleen voelen

b)

alleen zien

c)

voelen en zien

42.

Op het terras staat de terras-verwarming aan. De verwarming boven je hoofd is gloeiend heet.


Hoe bereikt de warmte jouw lichaam?

a)

straling

b)

stroming

c)

geleiding

43.

Voor welke vorm van warmte-transport is géén stof nodig?

a)

geleiding

b)

stroming

c)

straling

44.

Een auto staat een tijdje in de zon. In de auto wordt het erg warm.


Welke vorm van warmte-transport hoort hier bij?

a)

geleiding

b)

stroming

c)

straling

45.

De zon zendt infrarood-straling uit. Deze straling kan .............. door het luchtledige heen.

a)

wel

b)

niet

46.

Je fiets staat in de zon. Het zwarte zadel wordt erg warm.


Welke vorm van warmte-transport hoort hier bij?

a)

geleiding

b)

stroming

c)

straling