Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verbanden en signaalwoorden H3

Total questions: 30

Worksheet time: 3600secs

Name
Class
Date
1.

Van welk verband is er sprake als zaken achter elkaar worden opgenoemd?

a)

opsommend

b)

chronologisch

c)

tegenstellend

d)

toelichtend

2.

Van welk verband is er sprake als er gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde worden beschreven?

a)

opsommend

b)

chronologisch

c)

toelichtend

d)

tegenstellend

3.

Van welk verband is er sprake als er extra informatie bij een onderwerp gegeven wordt?

a)

opsommend

b)

chronologisch

c)

toelichtend

d)

tegenstellend

4.

Welk signaalwoorden zijn voorbeelden van een chronologisch verband?

a)

vroeger, later, nu

b)

bijvoorbeeld, zo, zoals

c)

tegenover, daarentegen, maar

d)

ook, eveneens, tevens

5.

Welke signaalwoorden horen bij een tegenstellend verband?

a)

tegenover, daarentegen, ofschoon

b)

bijvoorbeeld, denk aan, neem nou

c)

allereerst, dadelijk, intussen

d)

verder, ten eerste, dus

6.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Hoewel Marit niet had geleerd voor het examen, haalde ze toch een voldoende.

a)

tegenstellend

b)

opsommend

c)

toelichtend

d)

chronologisch

7.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin? Ik geniet graag van goede muziek. Verder ben ik een liefhebber van films.

a)

opsommend

b)

toelichtend

c)

tegenstellend

d)

chronologisch

8.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Ik heb een grote verzameling postzegels, zoals een beroemde serie Nederlandse kunstzegels.

a)

toelichtend verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

chronologisch verband

9.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin? Voordat ik naar een feest ga, trek ik mijn mooiste kleren aan.

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

toelichtend

d)

tegenstellend

10.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Ik heb een mooie fiets gezien die ik graag wil kopen, maar ik heb geen geld.

a)

tegenstellend

b)

opsommend

c)

chronologisch

d)

toelichtend

11.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Ik ga even naar de bakker voor brood en ontbijtkoek.

a)

opsommend

b)

chronologisch

c)

tegenstellend

d)

toelichtend

12.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Ik heb echt geen zin om mijn proefwerk te leren, toch ga ik aan de slag.

a)

tegenstellend

b)

chronologisch

c)

toelichtend

d)

opsommend

13.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Voordat ik morgen naar de kapper ga, doe ik eerst mijn wekelijkse boodschappen.

a)

chronologisch

b)

tegenstellend

c)

toelichtend

d)

opsommend

14.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Ik had een leuk baantje, maar daar heb ik geen tijd meer voor.

a)

tegenstellend

b)

chronologisch

c)

toelichtend

d)

opsommend

15.

Welk signaalwoord hoort niet bij een opsommend verband?

a)

ook

b)

bovendien

c)

omdat

d)

om te beginnen

16.

Welk signaalwoord hoort niet bij een tegenstellend verband?

a)

daarentegen

b)

toch

c)

maar

d)

mits

17.

Welk signaalwoord hoort niet bij een chronologisch verband?

a)

later

b)

eerst

c)

ten eerste

d)

intussen

18.

Welk signaalwoord hoort niet bij een toelichtend verband?

a)

neem nou

b)

verder

c)

denk aan

d)

bijvoorbeeld

19.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Een Amerikaan die al 15 jaar vastzat, is vrijgelaten nadat zijn broer de moord opbiechtte.

a)

chronologisch

b)

tegenstellend

c)

opsommend

d)

toelichtend

20.

Welk verband geeft het onderstaande signaalwoord aan?

toen

a)

chronologisch

b)

tegenstellend

c)

opsommend

d)

toelichtend

21.

Welk verband geeft het onderstaande signaalwoord aan?

dadelijk

a)

chronologisch

b)

tegenstellend

c)

toelichtend

d)

opsommend

22.

Welk verband geeft het onderstaande signaalwoord aan?

ook (nog)

a)

opsommend

b)

tegenstellend

c)

toelichtend

d)

chronologisch

23.

Welk verband geeft het onderstaande signaalwoord aan?

om te beginnen

a)

opsommend

b)

chronologisch

c)

toelichtend

d)

tegenstellend

24.

Welk verband geeft het onderstaande signaalwoord aan?

ten eerste

a)

opsommend

b)

tegenstellend

c)

toelichtend

d)

chronologisch

25.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Mijn moeder maakt graag Italiaanse gerechten, zoals pasta.

a)

toelichtend

b)

tegenstellend

c)

chronologisch

d)

opsommend

26.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Hoewel hij niet veel geld heeft, leidt hij een gelukkig leven.

a)

tegenstellend

b)

opsommend

c)

chronologisch

d)

toelichtend

27.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Ondanks dat het veld doorweekt was, trainde het Nederlands elftal gewoon verder.

a)

tegenstellend

b)

chronologisch

c)

opsommend

d)

toelichtend

28.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Nadat mijn vader mij gebeld had, had ik het pakketje weggebracht.

a)

chronologisch

b)

toelichtend

c)

tegenstellend

d)

opsommend

29.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Ik kan goed voetballen, desondanks moet ik de wedstrijd op de bank beginnen.

a)

tegenstellend

b)

toelichtend

c)

opsommend

d)

chronologisch

30.

Van welk verband is sprake in de onderstaande zin?

Vroeger was hij altijd bereikbaar.

a)

chronologisch

b)

tegenstellend

c)

toelichtend

d)

opsommend