Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

taalwijs kijker 4 (4de)

Total questions: 28

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Welk leesteken moet op het einde?

De zomer begint op 21 juni ....

a)

een punt ( .)

b)

een vraagteken ( ? )

c)

een uitroepteken ( ! )

2.

Welk leesteken moet op het einde?

Gaan we volgende week zwemmen ....

a)

een punt ( .)

b)

een vraagteken ( ? )

c)

een uitroepteken ( ! )

3.

Welk leesteken moet op het einde?

Goal ....

a)

een punt ( .)

b)

een vraagteken ( ? )

c)

een uitroepteken ( ! )

4.

Welk leesteken moet op het einde?

Ga zitten ....

a)

een punt ( .)

b)

een vraagteken ( ? )

c)

een uitroepteken ( ! )

5.

Wat is de functie van deze zin?

Er zijn 4 seizoenen: de herfst, de winter, de lente en de zomer ....

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

6.

Wat is de functie van deze zin?

Komt februari na januari?

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

7.

Wat is de functie van deze zin?

Joepie!

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

8.

Wat is de functie van deze zin?

Doe de deur dicht!

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

9.

Wat is de functie van deze zin?

Praat stil!

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

10.

Wat is de functie van deze zin?

Klaar!

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

11.

Wat is de functie van deze zin?

Ga in de rij staan!

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

12.

Wat is de functie van deze zin?

Begint een orkaan boven de zee?

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

13.

Wat is de functie van deze zin?

De krantenkop is de titel van een artikel.

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

14.

Welk leesteken moet op het einde?

De winter begint op 21 december ....

a)

een punt ( .)

b)

een vraagteken ( ? )

c)

een uitroepteken ( ! )

15.

Wat is de functie van deze zin?

De lente begint op 21 maart.

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

16.

Wat is de functie van deze zin?

De herfst begint op 21 september.

a)

Ik zeg iets = mededelende zin

b)

Ik vraag iets = vragende zin

c)

Ik geef een opdracht of bevel = bevelende zin

d)

Ik roep iets = uitroepende zin

17.

Welke woorden staan alfabetisch?

a)

appel / banaan / druiven / kiwi

b)

druiven / banaan / appel / kiwi

c)

kiwi / druiven / banaan / appel

d)

banaan / appel / druiven / kiwi

18.

Welke woorden staan alfabetisch?

a)

konijn / kip / kalkoen / kever

b)

kalkoen / kever / kip / konijn

c)

kalkoen / kip / kever / konijn

d)

kip / kalkoen / kever / konijn

19.

Welke woorden staan alfabetisch?

a)

spelen / zwemmen / tekenen / lopen

b)

zwemmen / tekenen / lopen / spelen

c)

lopen / spelen / tekenen / zwemmen

d)

tekenen / lopen / zwemen / spelen

20.

Zet op de juiste plaats: stoel

a)

bord / stoel / deur / kast / tafel

b)

bord / deur / stoel / kast / tafel

c)

bord / deur / kast / stoel / tafel

d)

bord / deur / kast / tafel / stoel

21.

Zet op de juiste plaats: geel

a)

geel / blauw / oranje / paars / wit

b)

blauw / geel / oranje / paars / wit

c)

blauw / oranje / geel / paars / wit

d)

blauw / oranje / paars / geel / wit

22.

Zet op de juiste plaats: zomer

a)

herfst / zomer / lente / seizoenen / winter

b)

herfst / lente / zomer / seizoenen / winter

c)

herfst / lente / seizoenen / zomer / winter

d)

herfst / lente / seizoenen / winter / zomer

23.

Kerstboomverbranding

Deze krantenkop is

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

24.

Man wint prijs en is stinkend rijk.

Deze krantenkop is

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

25.

Jongen slaapt als een roos.

Deze krantenkop is

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

26.

Kinderen zetten bloemetjes buiten.

Deze krantenkop is

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

27.

Jongen werkt als een slak.

Deze krantenkop is

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

28.

Vrouw hangt vuile was buiten.

Deze krantenkop is

a)

letterlijk

b)

figuurlijk