wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Groep 8 Spelling Blok 4, 5 en 6

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin?

Besteed je veel lira's in het populaire Turkije?

a)

Besteed

b)

veel

c)

lira's

d)

Besteed veel

2.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?

Besteed je veel lira's in het populaire Turkije?

a)

lira's

b)

Turkije

c)

veel lira's

d)

het populaire

3.

Wat is de bepaling van plaats in de zin?

Besteed je veel lira's in het populaire Turkije?

a)

populaire Turkije

b)

het populaire Turkije

c)

in het populaire Turkije

d)

Turkije

4.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin?

Wij hebben de campingeigenaar gisteren een e-mail gestuurd.

a)

hebben

b)

gestuurd

c)

gisteren

d)

hebben gestuurd

5.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?

Wij hebben de campingeigenaar gisteren een e-mail gestuurd.

a)

de campingeigenaar

b)

een e-mail

c)

gisteren

d)

hebben gestuurd

6.

Wat is het meewerkend voorwerp in de zin?

Wij hebben de campingeigenaar gisteren een e-mail gestuurd.

a)

een e-mail

b)

campingeigenaar

c)

e-mail gestuurd

d)

de campingeigenaar

7.

Wat is fout?

a)

Zuid-Amerika

b)

de wereldzeën

c)

subtropisch

d)

hecht

8.

Welke categorieën horen bij het woord: subtropisch

a)

Latijns voorvoegsel

b)

klankgroepenwoord

c)

tropisch woord

d)

kilowoord

9.

Welke categorieën horen bij het woord: verrassend

a)

Voorvoegsel

b)

klankgroepenwoord korte klank

c)

klankgroepenwoord lange klank

d)

langermaakwoord

10.

De meester........................................ de rollen.

Wat moet er op de puntjes komen te staan? (tt)

a)

veranderen

b)

verander

c)

verandert

d)

veranderd

11.

Welke categorieën horen bij het woord: het affiche?

a)

klankgroepenwoord tweetekenklank

b)

kilowoord

c)

chefwoord

d)

klankgroepenwoord korte klank

12.

Wat is het meewerkend voorwerp in de zin:


Karel en Marije geven een cadeau aan Kim.

a)

geven

b)

aan Kim

c)

karel en Marije

d)

een cadeau

13.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin:

Ze gaf mij gisteren de volgende cadeaus: een horloge, een stopwatch en een stappenteller.

a)

een horloge, een stopwatch en een stappenteller

b)

de volgende cadeaus

c)

een horloge

d)

een stappenteller en een horloge

14.

Welke categorie hoort er bij het woord: giechelend

a)

kilowoord

b)

luchtwoord van het versje

c)

garagewoord

d)

chefwoord

15.

Zij volgt een serie op televisie.

a)

1e persoon enkelvoud

b)

2e persoon enkelvoud

c)

3e persoon enkelvoud

16.

Hij wierp mij een .................................blok.

a)

kritische

b)

krietische

c)

krittische

d)

krietiese

17.

Ga jij deze zomer naar de .....................?

a)

kamping

b)

camping

c)

kemping

d)

cemping

18.

De artiest gaat op .............................

a)

toernee

b)

tourne

c)

toernnee

d)

tournee

19.

'Luiwammesen' is goed geschreven

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Wij .................toch meer van jullie toen wij het rapport lazen.

a)

verwachte

b)

verwachten

c)

verwachtten

21.

Wat is geen persoonlijk voornaamwoord?

a)

ik

b)

hun

c)

wij

d)

zij

22.

Milan heeft de bal aan Nika. Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

de bal

b)

Nika

c)

Milan

d)

aan Nika

23.

Milan geeft de bal aan Nika. Wat is het lijdend voorwerp?

a)

Milan

b)

de bal

c)

Nika

d)

geeft

24.

......................jullie vorige week nog over mij?

a)

Praatten

b)

Praatte

c)

Praten

d)

Praate

25.

Wat is geen stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?

a)

ijzeren

b)

houten

c)

kleine

d)

stalen

26.

Wat is het voltooid deelwoord?

a)

lachen

b)

gevonden

c)

oogstte

d)

schreef

27.

De boeven maakten zich schuldig aan........

a)

sjantage

b)

chantasje

c)

chantage

d)

sjantage

28.

Dit is echt.......

a)

abnormaal

b)

apnormaal

c)

ab-normaal

d)

ap-normaal

29.

Messen hebben altijd .............

a)

lemetten

b)

lemmetten

c)

lemmeten

d)

lemeten

30.

Waar staan alleen maar voorzetsels?

a)

in, uit, tussen een

b)

van, naar, steeds, uit

c)

van, het, tussen, op

d)

op, van, in, uit

31.

Het meewerkend voorwerp vind ik door de vraag te stellen:

a)

Waar+gezegde+onderwerp

b)

Wanneer + gezegde + onderwerp+ voltooid deelwoord

c)

Aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp

32.

Heb jij die mosselen

a)

geproeft

b)

geproevd

c)

geproefd

d)

geproevt

33.

Doe niet zo

a)

naïf

b)

naïef

c)

naief

d)

naaief

34.

...................je broer veel tijd aan hockey?

a)

Besteed

b)

Besteedt

c)

Besteet

d)

Bestedt

35.

Heb jij die ..............................gezien?

a)

haavikken

b)

havikken

c)

haviken

d)

haaviken