wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SPQR woordjes les 1

Total questions: 31

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

flumen, flumina

a)

rivier

b)

stromen

c)

water

d)

komen

2.

rex, reges

a)

koning

b)

regeren

c)

regio

d)

jongen

3.

servus

a)

slaaf

b)

koning

c)

opdracht

d)

plaats

4.

vocare

a)

roepen, noemen

b)

roepen, schreeuwen

c)

schreeuwen

d)

bevelen

5.

venire

a)

komen

b)

zien

c)

liggen

d)

roepen

6.

audire

a)

horen

b)

zien

c)

komen

d)

bevelen

7.

vidēre

a)

zien

b)

horen

c)

komen

d)

roepen

8.

puer, pueri

a)

jongen

b)

koning

c)

slaaf

d)

boom

9.

iacēre

a)

liggen

b)

bevelen

c)

weigeren

d)

vrezen, bang zijn voor

10.

clamare

a)

roepen, noemen

b)

schreeuwen

c)

weigeren

d)

huilen

11.

et

a)

en, ook

b)

naar, tot, bij

c)

in, naar

d)

tussen, tijdens

12.

lacrimare

a)

huilen

b)

schreeuwen

c)

vrezen, bang zijn voor

d)

doden

13.

iubēre

a)

bevelen

b)

liggen

c)

huilen

d)

weigeren

14.

necare

a)

doden

b)

schreeuwen

c)

vrezen, bang zijn voor

d)

dragen

15.

timēre

a)

vrezen, bang zijn voor

b)

bevelen

c)

liggen

d)

optillen

16.

ideo

a)

daarom

b)

waar

c)

daar

d)

toch

17.

mandatum

a)

opdracht

b)

koning

c)

slaaf

d)

plaats

18.

non

a)

niet

b)

en, ook

c)

in, naar

d)

naar, tot, bij

19.

recusare

a)

weigeren

b)

doden

c)

schreeuwen

d)

huilen

20.

tamen

a)

toch

b)

daarom

c)

waar

d)

daar

21.

tollere

a)

optillen

b)

dragen

c)

plaatsen

d)

bevelen

22.

ad + acc

a)

en, ook

b)

naar, tot, bij

c)

in, naar

d)

tussen, tijdens

23.

portare

a)

dragen

b)

plaatsen

c)

doden

d)

optillen

24.

in + acc

a)

in, naar

b)

naar, tot, bij

c)

en, ook

d)

tussen, tijdens

25.

ponere

a)

plaatsen

b)

dragen

c)

optillen

d)

liggen

26.

locus

a)

plaats

b)

boom

c)

opdracht

d)

slaaf

27.

ubi

a)

waar

b)

daar

c)

daarom

d)

toch

28.

aqua

a)

water

b)

rivier

c)

stromen

d)

boom

29.

inter + acc

a)

tussen, tijdens

b)

in, naar

c)

naar, tot, bij

d)

en, ook

30.

arbor, arbores

a)

boom

b)

water

c)

plaats

d)

jongen

31.

ibi

a)

daar

b)

waar

c)

daarom

d)

toch