wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nu Nederlands Taalfouten voorkomen

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Welk woord moet met hoofdletter?

a)

fransman

b)

stokbrood

c)

frankrijk

d)

zuiden

2.

Welke woorden moeten met hoofdletter?

a)

zuid-amerikaanse

b)

continent

c)

peru

d)

tortilla

3.

Welke woorden moeten met hoofdletter?

a)

kerstman

b)

pasen

c)

zomervakantie

d)

eerste kerstdag

4.

Hoe schrijf ik het goed?

's winters gaan we op vakantie.

a)

'S Winters

b)

's Winters

c)

'S winters

d)

's winters

5.

Welke woorden gaan met hoofdletter?

Willen jullie naar esmee leijen luisteren op woensdag?

a)

willen

b)

jullie

c)

esmee

d)

leijen

e)

woensdag

6.

Welke woorden hebben een hoofdletter?

college de opmaat in hilversum is tot april dicht wegens corona.

a)

college

b)

opmaat

c)

hilversum

d)

april

e)

corona

7.

Wil je mij / mijn even helpen?

a)

mij

b)

mijn

8.

Mij / Mijn fiets staat in de schuur.

a)

Mij

b)

Mijn

9.

Het lijk mij / mijn leuk om weer naar school te gaan.

a)

mij

b)

mijn

10.

Ik ben me / mijn tas vergeten.

a)

me

b)

mijn

11.

Wil je me / mijn helpen met de opdracht?

a)

me

b)

mijn

12.

Welke zin is juist gespeld?

a)

Pas op, daar komt een vrachtwagen aan.

b)

Pas op!, Daar komt een vrachtwagen aan!

c)

Pas op, daar komt een vrachtwagen aan!

13.

Welke zin is juist?

a)

Esmee zei, jullie werken goed.

b)

Esmee zei: "Jullie werken goed".

c)

Esmee zei; Jullie werken goed.

d)

Esmee zei, "jullie werken goed".

14.

Wat zijn de twee persoonsvormen in de zin:

Als je geen zin hebt, moet je gaan.

a)

je en je

b)

geen zin en gaan

c)

hebt en gaan

d)

als en moet

15.

Wie heeft jou / jouw gevraagd de opdrachten mee te doen?

a)

jou

b)

jouw

16.

Weet jij of jou / jouw werk gemaakt is?

a)

jou

b)

jouw

17.

Het woordje 'je' mag in plaats van.....?

a)

jou

b)

jouw

c)

beide

d)

geen van beide

18.

De / het laatste week gaat het beter.

a)

de

b)

het

19.

Dat / die liedje vind ik wel leuk.

a)

dat

b)

die

20.

de bejaarde + het huis = ?

a)

de bejaardenhuis

b)

het bejaardenhuis

21.

de appel + het sap = ?

a)

de appelsap

b)

het appelsap

22.

Hoe verwijs je het woord 'huis' goed?

a)

die huis

b)

dat huis

c)

dit huis

d)

deze huis

23.

Hoe verwijs je het woord 'snelweg' goed?

a)

die snelweg

b)

dat snelweg

c)

deze snelweg

d)

dit snelweg

24.

Hoe verwijs je het woord 'merkjas' goed?

a)

die merkjas

b)

deze merkjas

c)

dat merkjas

d)

dit merkjas

25.

U / Uw hebt mij niet goed gehoord.

a)

u

b)

uw

26.

Morgenvroeg kunt u / uw boodschappen doen.

a)

u

b)

uw

27.

Wij raden u / uw aan u / uw boodschappen vroeg te doen.

a)

u - u

b)

u - uw

c)

uw - u

d)

uw - uw

28.

Wilt u vandaag deze of ……. jurk aan?

a)

de

b)

het

c)

die

d)

dat

e)

deze

29.

Ik vind …… spel een stuk leuker dan dat spel.

a)

dit

b)

dat

c)

deze

d)

die

e)

het

30.

Je hebt dat / deze adres niet goed genoteerd.

a)

dat

b)

deze