wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands klas 2 tekstverbanden en signaalwoorden

Total questions: 25

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Een chronologisch verband beschrijft gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

2.

In een toelichtend verband wordt extra informatie gegeven, vaak in de vorm van een voorbeeld.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

3.

Ten eerste, ten tweede en ten slotte zijn signaalwoorden die passen bij een tegenstellend verband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

4.

Doordat, daardoor, als gevolg van en dankzij zijn signaalwoorden die passen bij een oorzakelijk verband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

5.

Dus, daarom, kortom en al met al zijn signaalwoorden die passen bij een concluderend tekstverband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

6.

In vergelijking met, evenals en vergeleken met zijn signaalwoorden die passen bij een toelichtend tekstverband.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stellig is onjuist

7.

Welk signaalwoord hoort bij een opsommend verband?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

8.

Welk signaalwoord hoort bij een tegenstellend verband?

a)

maar

b)

tevens

c)

dan

d)

als

9.

Welk signaalwoord hoort bij een chronologisch verband?

a)

Eerst

b)

En

c)

Doordat

d)

Bijvoorbeeld

10.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Chronologisch

b)

Tegenstellend

c)

Oorzakelijk

d)

Opsommend

11.

Van welk tekstverband is hier sprake?


Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsommend

b)

Oorzakelijk

c)

Tegenstellend

d)

Toelichtend

12.

Welk tekstverband vind je in de onderstaande zin?


Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste doe je de bloemen in de vaas.

a)

Chronologisch

b)

Oorzakelijk

c)

Toelichtend

d)

Tegenstellend

13.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en beren en zwemmen tussen de zalmen.

a)

Vergelijkend

b)

Opsommend

c)

Tegenstellend

d)

Chronologisch

14.

'Ik vind je aardig, maar ik kan je niet helpen'

a)

'Maar' geeft een vergelijking aan

b)

'Maar' geeft een tegenstelling aan

15.

Doordat het regent, is mijn jas nat.

a)

Dit is een reden

b)

Dit is een oorzaak

16.

Hoewel ik genoeg geld heb, koop ik die telefoon toch niet.

a)

Dit is een vergelijking

b)

Dit is een tegenstelling

17.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Juist, deze, hij, die.

c)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

d)

Geen van allen.

18.

Het regent, dus ik blijf liever thuis.

a)

opsommend verband

b)

redengevend verband

c)

oorzakelijk verband

d)

concluderend verband

19.

Doordat het regent, ben ik helemaal doorweekt.

a)

toelichtend verband

b)

redengevend verband

c)

oorzakelijk verband

d)

concluderend verband

20.

Op dit vakantiepark kun je fietsen, midgetgolfen, tennissen, schommelen, zwemmen...en op zaterdagavond is er altijd een karaoke! Kortom, er is genoeg te doen!

a)

voorwaardelijk verband

b)

redengevend verband

c)

oorzakelijk verband

d)

concluderend verband

21.

Het signaalwoord 'echter' duidt op een...

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

toelichtend verband

22.

Het signaalwoord 'bovendien' duidt op een...

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

toelichtend verband

23.

Het signaalwoord 'maar' duidt op een...

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

toelichtend verband

24.

Het signaalwoord 'vervolgens' duidt op een...

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

d)

toelichtend verband

25.

Omdat ik graag een goed cijfer wil voor de toets, ga ik de stof extra vaak herhalen.

a)

voorwaardelijk verband

b)

tegenstellend verband

c)

redengevend verband

d)

oorzakelijk verband