wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2V elektriciteit

Total questions: 20

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

welke van de 4 opties is een geleider?

a)

Koper

b)

plastic

c)

rubber

d)

Hout

2.

je ziet hier een schakeling. Wat wijst het pijltje aan?

a)

Batterij

b)

krokodillen tangen

c)

schakelaar

d)

gebroken draad

3.

Wanneer kan er in een stroomkring stroom lopen?

a)

Als het rode draad in de plus kant zit en het zwarte draad in de min kant

b)

Als er genoeg isolatoren in de stroomkring zitten

c)

Alleen als de stroomkring gesloten is

d)

Alle drie de antwoorden zijn juist

4.

Welke stof is GEEN geleider?

a)

Ijzer

b)

Koolstof

c)

Koper

d)

Plastic

5.

Wat zijn de voordelen van een parallel schakeling?

a)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

b)

Bij een parallel schakeling heb je slechts 1 stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

c)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Maar alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden.

d)

Bij een parallel schakeling heb je een stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden

6.
Welke zin over het schakelschema in het plaatje klopt?  Het getoonde schakelschema is een:
a)
Parallelschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
b)
Parralelschakeling met 2 schakelaars en 1 spanningsbron
c)
Serieschakeling met 2 lampjes en een weerstand
d)
Serieschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
7.
27 mA = 
a)
2700 A
b)
270 A
c)
0,27 A
d)
0,027 A
8.

Een isolator laat stroom ...

a)

makkelijk door

b)

niet door

c)

moeilijk door

9.

De eenheid van stroom is:

a)

Ampere

b)

Volt

c)

Ohm

10.

De eenheid van weerstand is:

a)

Ampere

b)

Volt

c)

Ohm

11.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
12.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Wattuur
d)
Volt
13.
16 kV = 
a)
16000 V
b)
160 V
c)
0,16 V
d)
0,0016 V
14.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
15.

Welke grootheid geeft aan hoeveel deeltjes er per seconde voorbijkomen?

a)

Stroomsterkte

b)

Spanning

c)

Weerstand

d)

Vermogen

16.

Het vermogen van een lamp van 12V met een stroomsterkte van 3A is

a)

36W

b)

4W

c)

0.25W

d)

15W

17.

De stroomsterkte van een lamp van 6V met een vermogen van 9 is

a)

1.5A

b)

54A

c)

0.66A

d)

15A

18.

Het vermogen van een lamp van 12V met een stroomsterkte van 200mA is

a)

2.4W

b)

2400W

c)

16.66W

d)

6W

19.

Als lampje 1 een stroomsterkte heeft van 2A dan is de stroomsterkte van lampje 2

a)

2A

b)

1A

c)

Dat ligt aan de stroombron

d)

Niet te zeggen

20.

Als de stroombron 12V levert en lampje 1 6V krijgt dan krijgt lampje 2

a)

6V

b)

12V

c)

2V

d)

Niet te zeggen