Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat NN H5 en 6 3BL

Total questions: 42

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

betreft/betreffen

a)

gaat over/gaan over

b)

elkaar tegenkomen

c)

op de plek zijn

d)

langs lopen

2.

bereikbaar

a)

iets geven aan

b)

een doel nastreven

c)

heel rijk zijn

d)

waar je kunt komen

3.

constateren

a)

opmerken

b)

vaststellen

c)

aandacht vasthouden

d)

opmerking maken

4.

beschikken

a)

hard schrikken

b)

klaar zijn

c)

hebben

d)

kunnen gebruiken

5.

In welke zin wordt het woord goederen het beste gebruikt

a)

Ik heb zo'n zin om goederen te eten.

b)

Er worden veel goederen geëxporteerd naar Duitsland

c)

De voetballer deed z'n nieuwe goederen aan.

d)

Alle goederen mochten op vakantie.

6.

erfelijk

a)

gevaarlijk

b)

alle spullen krijgen na een overlijden

c)

wat van ouders op kinderen overgaat

d)

ergeren aan

7.

Er niet te koop mee lopen

a)

niet aan iedereen laten merken of zien

b)

niet willen verkopen

c)

niet willen kopen

d)

niet laten lopen

8.

het onderscheid

a)

iets apart houden

b)

iets onderduwen

c)

het verschil

d)

het geschil

9.

In welke zinnen past het woord signaal/ signalen het beste?

a)

Geef eens een ……………….. zodat ik weet wanneer de wedstrijd begint.

b)

We moeten vooral achter de ……...….………… aanlopen

c)

Hoeveel …………...…...…….. horen in het recept?

d)

Er zijn verschillende ...……...……...……… afgesproken voor wanneer we ons juist wel of niet moeten verstoppen.

10.

illegaal

a)

als je iets in het openbaar doet

b)

als iets volgens de wet mag

c)

als je iets niet doet

d)

als iets niet volgens de wet mag

11.

je realiseren/gerealiseerd

a)

je herinneren/ herinnerd hebben

b)

(na)denken over /nagedacht hebben over

c)

vergeten zijn

d)

verzinnen/ verzonnen hebben

12.

In welke zin is het woord nauwkeurig goed gebruikt?

a)

De aantallen waren verkeerd ingeschat en dus nauwkeurig geteld

b)

Je geeft een nauwkeurig antwoord op deze vraag en dit kost je helaas punten.

c)

Ze hebben de maten van de gordijnen nauwkeurig opgemeten.

d)

De mevrouw zag er heel nauwkeurig uit voor de afspraak

13.

omgeving

a)

gebied uit de buurt

b)

gebied in de buurt

c)

wijk

d)

regio

14.

oorspronkelijk

a)

nooit

b)

ooit

c)

eerst

d)

in het begin

15.

Wat is het tegenovergestelde van uiterst(e)

a)

innerst(e)

b)

ontzettend(e)

c)

heel erg

d)

een heel klein beetje

16.

vermijden

a)

heel vaak proberen

b)

zorgen dat iets niet gebeurt

c)

proberen te voorkomen

d)

zorgen dat iets gebeurt

17.

verwarren ( verwart)

a)

uit de war halen

b)

in gedachten per ongeluk verwisselen

c)

wegbrengen

d)

door elkaar halen

18.

het tegenovergestelde van voornamelijk

a)

juist niet

b)

voor het kleinste deel

c)

zeker wel

d)

altijd

19.

In welke zinnen wordt het woord 'waarnemen 'goed gebruikt?

a)

In het oerwoud nemen de biologen alle geluiden waar.

b)

de sportcommentator heeft de wedstrijd goed waargenomen

c)

'Welke geuren heb je waargenomen?, vroeg de chefkok aan zijn hulpje

d)

Toen hij een aanraking waarnam op zijn arm ging er een rilling door zijn lijf

20.

waarnemen

a)

iets ruiken

b)

iets voelen

c)

iets zien

d)

iets voelen

21.

zeldzaam

a)

waar er veel van zijn

b)

wat veel voorkomt

c)

waar er maar weinig van zijn

d)

wat weinig voorkomt

22.

perspectief

a)

punt van waar je je bevindt

b)

punt van waaruit je naar iets kijkt

c)

punt van waar je naar toe gaat

d)

punt van waaruit je hoort

23.

profiteren

a)

ergens voordeel van hebben

b)

ergens nadeel van hebben

c)

ergens niks aan hebben

d)

feest vieren

24.

In welke zin hoort het woord 'term' het beste?

a)

Een ……...…...………. is een knaagdier wat in Zuid-Amerika leeft

b)

Ik weet zeker dat deze ………...…… is opgegeten met het feestje

c)

Welke …...…...……….. gebruik je om dit te omschrijven?

d)

Voor zijn verjaardag heeft hij een ………….. gekregen.

25.

toepassen /toegepast

a)

dicht doen/dichtgedaan

b)

verbruiken/verbruikt

c)

aantrekken/aangetrokken

d)

gebruiken/gebruikt

26.

een wezen

a)

geweest zijn

b)

een kind zonder ouders

c)

een levend iets, zoals een mens of dier

d)

een mooie plek

27.

Zo groen als gras zijn

a)

goed planten kunnen verzorgen

b)

je groen en geel ergeren

c)

heel onervaren zijn, iets nog niet hebben meegemaakt

d)

hij werd er erg draaierig/duizelig van

28.

Groene vingers hebben

a)

goed planten kunnen verzorgen

b)

je heel erg storen aan iets of iemand

c)

er komen heel veel mensen op af

d)

toestemming krijgen

29.

je groen en geel ergeren

a)

toestemming krijgen

b)

heel erg jaloers zijn

c)

je heel erg storen aan iets of iemand

d)

duizelig worden/heel erg schrikken

30.

In welke zin wordt de uitdrukking 'groen licht krijgen' goed gebruikt?

a)

Hij heeft groen licht als verlichting gekregen in zijn tuin

b)

Het stoplicht kreeg groen licht en iedereen stopte meteen

c)

Het vuurwerk gaf alleen maar groene licht toen het uit elkaar spatte

d)

De trainer kreeg groen licht om een nieuwe spits te zoeken voor zijn team.

31.

het werd hem groen en geel voor de ogen

a)

je heel erg storen aan iemand

b)

duizelig worden/heel erg schrikken

c)

heel erg moe worden

d)

heel erg jaloers zijn

32.

Zeeën van tijd hebben

a)

heel veel tijd hebben

b)

tijd tekort komen

c)

heel erg haast hebben

d)

heel lang er over doen

33.

storm lopen

a)

de storm 'loopt' over het land

b)

het stormt heel hard

c)

er komen veel mensen op af

d)

er is niemand

34.

de lat te hoog leggen

a)

te veel verwachten

b)

te veel praatjes hebben

c)

te veel betaald krijgen

d)

er niet meer bij kunnen

35.

geen droog brood mee verdienen

a)

te veel verachten

b)

ontslagen worden

c)

te weinig betaald krijgen

d)

minder praatjes moeten hebben

36.

een toontje lager zingen

a)

minder praatjes moeten hebben

b)

ontslagen worden

c)

vals zingen

d)

niet genoeg verdienen

37.

de zak krijgen

a)

een cadeau krijgen

b)

in de maling genomen worden

c)

geen werk krijgen

d)

ontslagen worden

38.

je hoofd nauwelijks boven water houden

a)

niet genoeg kunnen drinken

b)

niet goed kunnen zwemmen

c)

net genoeg geld hebben om te kunnen leven

d)

niet genoeg kunnen uitgeven

39.

het bijltje er bij neergooien

a)

het weggooien

b)

het stoppen met hakken

c)

het opgeven

d)

het opruimen

40.

Daar zit smaak nog kraak aan

a)

niet te kraken

b)

zonder smaak

c)

krakeloos

d)

smakeloos

41.

iemand iets in de schoenen schuiven

a)

schuld ontkennen

b)

de schuld aan een ander geven

c)

schuld bekennen

d)

de schoenen aan een ander geven

42.

Bij welke zin past de uitdrukking 'Niet meer van deze tijd'

a)

Het kost me echt veel tijd om ook nog eens boodschappen te doen

b)

Ik schaam me kapot, want mijn vader draagt schoenen uit het jaar 0.

c)

Dit kan echt niet dat je na zoveel tijd pas reageert

d)

Mijn vriendin had een hippe outfit aan naar het feestje