WorksheetsUpper Basic 1.0 - Herhalen
Total questions: 46
Worksheet time: 41mins
Hij ___ vandaag niet komen, want hij moet werken.
moet
kan
wil
zal
Ik ____ de keuken wel schoonmaken, maar ik kan niet.
zal
kan
moet
wil
____ we iets gaan drinken vanavond of wil je liever televisiekijken?
Moeten
Kunnen
Willen
Zullen
Ik wil wel met Steven gaan hardlopen, maar ik ____ huiswerk maken.
zal
moet
kan
ga
Ik wil wel met Steven gaan hardlopen, maar ik ____ huiswerk maken.
zal
moet
kan
ga
____ u een kopje koffie?
Wilt
Gaat
Moet
Kunt
Ik ____ graag meer gaan sporten.
wil
kan
zal
ga
(Nu) Hij ___ nu _______ schoonmaken.
is aan heet
gaat straks
(Zometeen) Ik ___ _____ een boek lezen.
ga straks
ben aan het
(Nu) Ik ___ _____ met ochtendgymnastiek.
ben bezig
ga straks
Ik ben bezig met ____
werk
werkt
werken
Ik ben aan het boek _____.
lees
leest
lezen
's Morgens om ongeveer 10.00 uur word ik (a) .
Zaterdagochtend ____ ik de ramen.
dweil
lap
haal
kop
's Middags ga ik eerst ____.
lopen
joggen
dweilen
doen
Daarna ____ ik mijn tanden.
douch
poets
maak
doe
Dan ____ ik mijn ontbijt.
doe
maak
eet
word
____ gaat hij douchen.
____ gaat hij het boodchappen doen.
____ gaat hij koken.
Dan - Eerst - Ten slotte
Ten slotte - Eerst - Dan
Eerst - Dan - Ten slotte
Wat doe je in je vrije tijd?
Ik ____ op een Nederlandse les.
zit
doe
leer
studeer
Wat doe je in je vrije tijd?
Ik ____ foto's.
doe
leer
maak
zie
Wat doe je in je vrije tijd?
Ik ____ aan sport.
maak
ga
doe
speel
Ik doe meer in het huishouden ____ ik werk ook minder uren.
maar
want
omdat
of
Vind je het vervelend om iedere dag te koken ____ vind je het leuk?
maar
of
want
dus
Jij stofzuigt ____ jij lapt ook altijd de ramen.
omdat
of
dus
en
Ik ga wat vroeger weg ____ ik moet nog boodschappen doen.
maar
omdat
of
want
Ze hebben geen kinderen ____ ze nog studeren.
omdat
maar
want
dus
Ik ga naar de cursus ____ ik wil goed Nederlands spreken.
maar
dus
want
of
Wat doet hij?
Strijken
Opruimen
Lappen
Schoonmaken
Wat doet zij?
Lapen
Schoonmaken
Opruimen
Stofzuigen
Mijn vriendin heet Nina. Ik ga zaterdag met ____ winkelen.
zij
haar
Dit is Karel. Ik ga met ____ naar de bioscoop.
hem
hij
____ hebben les op maandag en donderdag.
Wij
Ons
Karin leert Spaans. Ik help ____ met het huiswerk.
zij
haar
Karel komt morgen bij ____ eten.
ons
onze
Ik heb morgen een afspraak met ___.
jij
u
Jan belt ____ vader op.
zijn
hem
Hij gaat naar het stripmuseum ____ hij strips leuk vindt.
als
maar
omdat
terwijl
Hij heeft een verrassing voor haar ____ ze is jarig
als
maar
terwijl
want
____ jij de afwas doet, dan zal ik koken.
als
maar
omdat
terwijl
Hij kookt het eten ____zij gezellig met haar vriendin praat.
als
maar
omdat
terwijl
We moeten reserveren ____ we zeker van plaatsen willen zijn.
als
maar
omdat
terwijl
Ik wil wel helpen ____ ik weet de weg ook niet.
als
maar
omdat
terwijl
We gaan naar een restaurant ____ we lekker willen eten.
als
maar
omdat
terwijl
Goedemorgen, ik wil graag drie ____ reserveren voor Ciska de Rat.
plaatsen
stoelen
kaarten
voorstellingen
Op ____ naam kan ik reserveren?
Op naam van Frans Jansen.
welke
wat
wie
Wat vind je van de Upper Basic klas?
