wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets H4 Ordening 1 MAVO/HAVO

Total questions: 57

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Heeft een cel van het aapje een celwand?

(a)  

2.

Coccen zijn eencellige organismen zonder celkern. Tot welk domein behoren coccen?

(a)  

3.

Drie celkenmerken zijn een celwand, een celkern en bladgroenkorrels.

Welke van deze drie celkenmerken heeft een cel van een paddenstoel?

(a)  

4.

In het plaatje zie je een cel schematisch getekend. Tot welk rijk behoort het organisme waarvan deze cel afkomstig is?

(a)  

5.

Bacterien planten zich meestal voort door sporen.

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Bacterien zijn nuttig als opruimers van dode resten van organismen in de natuur.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Bij grote hoeveelheden bacterien in de blaas raakt de blaaswand ontstoken.


Deze aandoening kun je bestrijden met antibiotica.

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Bacterien kunnen oorontsteking veroorzaken.

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Bacterien kunnen voedsel doen bederven.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Bij de bereiding van dit voedingsmiddel worden bacterien gebruikt.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Gisten bestaan uit schimmeldraden

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Veelcellige schimmels planten zich meestal voort door deling.

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Paddenstoelen hebben een functie bij de voortplanting van schimmels.

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Uit deze afbeelding kun je afleiden dat schimmels nuttig zijn.

a)

Juist

b)

Onjuist

15.

Bij de productie van het anitbioticum penicilline worden bacterien gebruikt.

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Champignons zijn eetbare schimmels

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Bij de bereiding van bier worden veelcellige schimmels gebruikt.

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Bij welke stam komen eencellige planten voor?

a)

Wieren (algen)

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

19.

Groene aanslag op een deur bestaat uit organismen die behoren tot het plantenrijk.


Tot welke stam van het plantenrijk behoren deze organismen?

a)

Wieren (algen)

b)

Sprenplanten

c)

Zaadplanten

20.

Tot welke stam behoort deze plant?

a)

Wieren (algen)

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

21.

Tot welke stam behoort de plant van de afbeelding?

a)

Wieren (algen)

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

22.

Tot welke stam behoort de waterplant van deze afbeelding?

a)

Wieren (algen)

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

23.

In een dierengids staat bij een foto de volgende beschrijing: "De dieren zijn niet-symmetrisch. Ze hebben een skelet van stevige hoornvezels tussen de cellen en ze leven vastzittend op de bodem van de zee."


Welke dieren zijn in de dierengids te zien?

a)

Neteldieren

b)

Sponzen

c)

Stekelhuidigen

d)

Weekdieren

24.

Deze afbeelding is een foto van een zeeanemoon. Een zeeanemoon behoort tot de neteldieren.


Op grond van welke kenmerken behoort een zeeanemoon tot de neteldieren?

a)

Het dier is niet-symmetrisch en heeft een inwendig skelet

b)

Het dier is tweezijdig symmetrisch en heeft een inwendig skelet

c)

Hier dier is tweezijdig symmetrisch en heeft geen skelet

d)

Het dier is veelzijdig symmetrisch en heeft geen skelet

25.

In de afbeelding zie je 4 foto's van dieren. De volgende 4 vragen gaan over deze dieren.


Welke van de afgebeelde dieren zijn tweezijdig symmetrisch?

a)

Alleen de dieren 1 en 2.

b)

Alleen de dieren 2 en 3.

c)

Alleen de dieren 2 en 4.

d)

Alleen de dieren 3 en 4.

26.

Welke van de afgebeelde dieren heeft een huid die bedekt is met stekels of knobbels?

a)

Dier 1

b)

Dier 2

c)

Dier 3

d)

Dier 4

27.

Welke van de afgebeelde dieren hebben een skelet?

a)

Alleen de dieren 2 en 3.

b)

Alleen de dieren 2 en 4.

c)

Alleen de dieren 2, 3 en 4.

d)

De dieren 1, 2, 3 en 4.

28.

Welke van deze dieren zijn veelzijdig symmetrisch?

a)

De dieren 1 en 2.

b)

De dieren 1 en 4.

c)

De dieren 2 en 3.

d)

De dieren 3 en 4.

29.

In de afbeelding is een zeekat getekend. Tot welke stam van het dierenrijk behoort de zeekat?

a)

Tot de geleedpotigen.

b)

Tot de gewervelden.

c)

Tot de neteldieren.

d)

Tot de weekdieren.

30.

De afbeelding is een foto van een kameleon. Tot welke stam van het dierenrijk behoort de kameleon?

a)

Tot de gewervelden.

b)

Tot de geleedpotigen.

c)

Tot de stekelhuidigen.

d)

Tot de weekdieren.

31.

Welk organisme is in de afbeelding afgebeeld, een amoebe of een pantoffeldiertje?

a)

Amoebe

b)

Pantoffeldiertje

32.

Komen bij een amoebe voedingsvacuolen voor?

En bij een pantoffeldiertje?

a)

Alleen bij een amobe

b)

Alleen bij een pantoffeldiertje

c)

Bij een amoebe en een pantoffeldiertje

d)

Niet bij een amoebe en niet bij een pantoffeldiertje

33.

Bij welk organisme worden onverteerde voedselresten verwijderd via de celanus?

a)

Alleen bij een amoebe

b)

Alleen bij een pantoffeldiertje

c)

Bij een amoebe en pantoffeldiertje

34.

Welke organisme kan telkens van vorm veranderen?

a)

Alleen bij een amoebe

b)

Alleen bij een pantoffeldiertje

c)

Bij een amoebe en pantoffeldiertje

35.

Bij welk organisme worden onverteerde voedselresten verwijderd via het celmembraan?

a)

Alleen bij een amoebe

b)

Alleen bij een pantoffeldiertje

c)

Bij een amoebe en pantoffeldiertje

36.

In de afbeelding zie je twee dieren. Een roofdier met acht poten vangt een prooi.


Tot welke groep geleedachtige dieren behoort dier 1 van de afbeelding?

a)

Insecten

b)

Kreeftachtigen

c)

Spinachtigen

d)

Veelpotigen

37.

In de afbeelding zie je twee dieren. Een roofdier met acht poten vangt een prooi.


En tot welke groep geleedachtige dieren behoort dier 2 van de afbeelding?

a)

Insecten

b)

Kreeftachtigen

c)

Spinachtigen

d)

Veelpotigen

38.

Tot welke groep van geleedpotigen behoort het dier van de afbeelding?

a)

Insecten

b)

Kreeftachtigen

c)

Spinachtigen

d)

Veelpotigen

39.

In welke groep van de geleedpotigen vnd je de meest verschillende soorten?

a)

Insecten

b)

Kreeftachtigen

c)

Spinachtigen

d)

Veelpotigen

40.

Tot welke groep geleedpotigen behoort het dier van de afbeelding?

a)

Insecten

b)

Kreeftachtigen

c)

Spinachtigen

d)

Veelpotigen

41.

Bij welke groep bestaat het lichaam uit kop, borststuk en achterlijf?

a)

Insecten

b)

Kreeftachtigen

c)

Spinachtigen

d)

Veelpotigen

42.

Bij welke groep bestaat het gehele lichaam uit segmenten?

a)

Insecten

b)

Kreeftachtigen

c)

Spinachtigen

d)

Veelpotigen

43.

Bij welke groep van de gewervelde dieren verandert in de loop van hun leven de manier van ademhalen?

(a)  

44.

In de afbeelding zijn vier soorten gewervelden getekend.

Bij welke van deze soorten legt het vrouwtje eieren om zich voort te planten?


Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn.

a)

Baars

b)

Boomkikker

c)

Spreeuw

d)

Luiaard

45.

De huid van een vleermuis is bedekt met haren.


Plant een vleermuis zich levendbarend voort of door middel van eieren?

a)

Levendbarend

b)

Eieren

46.

Op welke manier haalt het dier van de afbeelding adem?

(a)  

47.

Sommige gewervelde dieren leggen eieren met een kalkschaal.


Waar leggen deze dieren hun eieren, op het land of in het water?

a)

Op het land

b)

In het water

48.

In de winter is het water in een meer ongeveer 4 graden Celsius.


Wat is de lichaamstemperatuur van de vissen in dit meer in de winter?

a)

Veel hoger dan die van het water

b)

Veel lager dan die van het water

c)

Er zal niet zo veel verschil zijn

49.

Tot welke groep van de gewervelden behoren de dieren van de afbeelding?

(a)  

50.

In de afbeelding zie je een vertakkingsschema van de organismen. Een domein, een rijk, enkele stammen en groepen zijn vervangen door nummers.


Welk woord moet er op plaats 1 staan?

(a)  

51.

In de afbeelding zie je een vertakkingsschema van de organismen. Een domein, een rijk, enkele stammen en groepen zijn vervangen door nummers.


Welk woord moet er op plaats 2 staan?

(a)  

52.

In de afbeelding zie je een vertakkingsschema van de organismen. Een domein, een rijk, enkele stammen en groepen zijn vervangen door nummers.


Welk woord moet er op plaats 3 staan?

(a)  

53.

In de afbeelding zie je een vertakkingsschema van de organismen. Een domein, een rijk, enkele stammen en groepen zijn vervangen door nummers.


Welk woord moet er op plaats 4 staan?

(a)  

54.

In de afbeelding zie je een vertakkingsschema van de organismen. Een domein, een rijk, enkele stammen en groepen zijn vervangen door nummers.


Welk woord moet er op plaats 5 staan?

(a)  

55.

In de afbeelding zie je een vertakkingsschema van de organismen. Een domein, een rijk, enkele stammen en groepen zijn vervangen door nummers.


Welk woord moet er op plaats 6 staan?

(a)  

56.

In de afbeelding zie je een vertakkingsschema van de organismen. Een domein, een rijk, enkele stammen en groepen zijn vervangen door nummers.


Welk woord moet er op plaats 7 staan?

(a)  

57.

In de afbeelding zie je een vertakkingsschema van de organismen. Een domein, een rijk, enkele stammen en groepen zijn vervangen door nummers.


Welk woord moet er op plaats 8 staan?

(a)