wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

leidinggeven/ personeel

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

welke vorm van Organisatiestructuur zien we hier ?

a)

Lijnorganisatie

b)

Lijnstaf-organisatie

2.

welke vraag hoort bij het opstellen van de missie?

a)

Waar staat het bedrijf voor?

b)

wat is het verdienmodel?

c)

wat kan ik verdienen?

d)

wat is het netto resultaat van ondernemen?

3.

Bijj de Visie van je bedrijf hou je je bezig met.........

a)

het verdienmodel

b)

personeels beleid

c)

voorstelling van de toekomst

d)

aanbod van je bedrijf

4.

wanneer is het sosialisatie proces mislukt vanuit het werkgevers oogpunt?

a)

een groot gevoel van onzekerheid

b)

geringe binding met bedrijf

c)

een groot gevoel van onzekerheid

5.

wanneer is het socilalistaie proces mislukt vanuit het oogpunt van de werknemer?

a)

lage motivatie

b)

teleurstelling

c)

onaangepast of ongewenst gedrag

d)

vroegtijdig vertrek

6.

bij mijn eerste autorijles ben ik?

a)

onbewust onbekwaam

b)

bewust onbekwaam

c)

bewust bekwaam

d)

onbewust onbekwaam

7.

wanneer ik net mijn rijbewijs heb gehaald ben ik ?

a)

onbewust onbekwaam

b)

bewust onbekwaam

c)

bewust bekwaam

d)

onbewust bekwaam

8.

Wat is de goede volgorde bij het geven van instructies

a)

1 inleiding 2 voorbereiden 3voordoen 4 feedback en oefeneneindevaluatie 5

b)

1 inleiding 2 voorbereiden 3 oefenen 4 voordoen feedback 5 eindevaluatie.

c)

1 voorbereiden 2 inleiding 3 voordoen 4 oefenen en feedback 5 eindevaluatie.

d)

1 oefenen en feedback 2 inleiding 3 voorbereiden 4 voordoen 5 eindevaluatie.

9.

bij het horn-effect hoort het het volgende aandachtspunt

a)

iemand die aardig is te positief beoordeeld

b)

iemand die er goed uitziet positief beoordeeld

c)

dat als iemand slecht gekleed is slechter beoordeeld

d)

dat je moeite hebt met het geven van kritiek

10.

een Primaire taak is .......

a)

rooster maken

b)

klanten helpen

c)

geld lades opmaken

d)

werkoverleg voeren

11.

Secundaire taak is ?

a)

personeels lid trainen

b)

verkopen

c)

bestellen

d)

bestelling opruimen

12.

Het helpen van klanten is volgens het prioriteitenschema van Dwight Eisenhower .......

a)

niet urgent, maar wel belangrijk

b)

zowel urgent, als belangrijk

c)

urgent, maar niet belangrijk

d)

niet urgent en ook niet belangrijk

13.

Op het moment dat geplande omzet uitblijft moet je ........?

a)

zorgen dat de productie omhoog gaat

b)

extra taken doen

c)

mensen naar huis sturen

d)

zorgen dat de productie omhoog gaat

14.

OPWU bereken je door .......

a)

omzet gedeelt door gewerkt aantal uren

b)

omzet gedeelt door aantal werknemers

15.

bij intrinsieke motivatie hoort........

a)

de hoogte van het salaris

b)

verantwoordelijkheid willen hebben

c)

de goede werkomstandigheden die geboden worden

d)

een goede relatie met andere werknemers

16.

Een voorbeeld van een satisfiers is......?

a)

verantwoordelijkheid dragen

b)

de stijl van leidinggeven door het management

c)

loon en beloningen

d)

mate van veiligheid

17.

Zwart ziekteverzuim is ......

a)

de werknemer is ziek en kan niet werken

b)

de medewerker is niet daadwerkelijk ziek en zou prima kunnen werken

c)

medewerker meldt zich met reële klachten, maar het blijft twijfelachtig of de medewerker tot werk in staat is

18.

bij welke stijl van leidinggeven hoort de volgende stelling: werk overleg is tijd rovend.

a)

Autoritaire leiderschapsstijl

b)

Participatieve leiderschapsstijl

c)

Laissez-faire leiderschapsstijl

19.

Bij welke stijl van leidinggeven hoort de volgende stelling: Medewerkers kunnen invloed uitoefenen wat de betrokkenheid verhoogt

a)

Autoritaire leiderschapsstijl

b)

Participatieve leiderschapsstijl

c)

Laissez-faire leiderschapsstijl

20.

Bij welke stijl van leidinggeven hoort de volgende stelling: Er is vrijheid van handelen voor medewerkers

a)

Autoritaire leiderschapsstijl

b)

Participatieve leiderschapsstijl

c)

Laissez-faire leiderschapsstijl

21.

Bij welke stijl van leidinggeven hoort de volgende stelling: betrekken van medewerkers bij een probleem

a)

Autoritaire leiderschapsstijl

b)

Participatieve leiderschapsstijl

c)

Laissez-faire leiderschapsstijl

22.

Situationeel leiderschap is :

a)

afstemmen van de leiderschapsstijl van de leidinggevende op de behoefte van de medewerker

b)

Je leiderschapstijl is altijd gelijkmatig en een duidig

c)

Je bet als leidinggevende wispelturig en durft geen stelling te nemen

d)

Je komt autoritair over

23.

Het ontwikkelingsniveau van de medewerker wordt bepaald door

a)

De mate van bekwaamheid

b)

Situationeel leidinggeven stijl van de leidinggevende

c)

De mate van bereidheid

d)

de mate leidinggeven leidinggevende

24.

Je krijgt een nieuwe medewerker op in je winkel. Vraag: welke stijl moet jou werkgever gebruiken?

a)

Leiden

b)

Begeleiden

c)

Steunen

d)

Delegeren

25.

Mijn chef heef 30 jaar ervaring en is zeer deskundig, hij valt in de catogorie .....

a)

S1

b)

S2

c)

S3

d)

S4

26.

Opbouw van het correctiegesprek, wat is de goed volgorde ?

a)

1 Controleer of de boodschap overkomt 2 Zoek naar een oplossing 3 Breng het slechte nieuws

b)

1 Zoek naar een oplossing 2 Breng het slechte nieuws 3 Controleer of de boodschap overkomt

c)

1 Breng het slechte nieuws 2 Controleer of de boodschap overkomt 3 Zoek naar een oplossing

27.

Informeel gesprek voeren is ........

a)

doorgangsgesprek met je leidinggevende

b)

beoordelingsgesprek met je leidnggevende

c)

koffie praatje met je leidinggevende

28.

In deze fase komt het conflict op tafel. Beide partijen geven aan dat verschillende doelen worden nagestreefd. Vraag: in welke fase van een een escalerend conflictproces zit het conflict

a)

Het hebben van verschillende doelen.

b)

Het onderkennen van het conflict.

c)

Het escaleren van het conflict.

29.

Het conflict tussen partijen komt in deze fase openlijk tot uiting. Vraag: in welke fase van een een escalerend conflictproces zit het conflict

a)

Het hebben van verschillende doelen

b)

Het onderkennen van het conflict.

c)

Het escaleren van het conflict.

30.

Is een conflict altijd negatief ?

a)

ja

b)

nee

31.

Bij welke conflicthanteringsstijl hoort de volgende stelling: Wanneer een snelle beslissing vereist is en er weinig tijd is

a)

Compromis zoeken

b)

Samenwerken

c)

Aanpassen

d)

vechten

e)

Vermijden

32.

Bij welke conflicthanteringsstijl hoort de volgende stelling: Je krediet bij de ander wilt opbouwen

a)

Compromis zoeken

b)

Aanpassen

c)

Vermijden

d)

Samenwerken

e)

vechten

33.

Bij welke conflicthanteringsstijl hoort de volgende stelling: Als er andere prioriteiten liggen.

a)

Compromis zoeken

b)

Vermijden

c)

vechten

d)

Aanpassen

e)

Samenwerken

34.

Bij welke conflicthanteringsstijl hoort de volgende stelling: Wanneer je weinig tijd hebt en een tijdelijke oplossing voor het moment voldoet

a)

Compromis zoeken

b)

vechten

c)

Samenwerken

d)

Vermijden

e)

Aanpassen

35.

wie ga ik inzetten bij de volgende stelling: Wanneer medewerkers een conflict met elkaar hebben die ze niet weten op te lossen

a)

Scheidsrechter

b)

Counselor