Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woorden klas 3 H1 t/m H4

Total questions: 25

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent lokale?

a)

rijke

b)

vriendelijke

c)

plaatselijke

d)

vrolijke

2.

Wat betekent afdingen?

a)

voorstellen

b)

minder bieden dan de vraagprijs

c)

veel kennis van het vak hebben

d)

verkopen aan andere landen

3.

Wat betekent feilloos?

a)

zonder fouten

b)

per schip vervoeren

c)

eraf halen

d)

rijk

4.

Wat betekent concurrentie?

a)

per schip vervoeren

b)

verkopen aan andere landen

c)

voorstellen

d)

strijd om een ander te overtreffen

5.

Welke zin met opperde klopt?

a)

Hij opperde op mijn hoofd, nu heb ik hoofdpijn.

b)

Hij opperde een slagroomtaart.

c)

Hij opperde om de toets later te maken.

d)

Hij opperde op zijn leraar, omdat hij te veel huiswerk opgeeft.

6.

Welke TWEE zinnen met BLIK zijn goed?

a)

Rens wierp een blik om de hoek en zag nog net zijn moeder fietsen.

b)

Rens' blik staat vandaag op ernstig.

c)

Rens heeft blik aan zijn vermogen tot stilstaan.

d)

Rens heeft een blik met zijn grootmoeder.

7.

Welke TWEE zinnen met PAK zijn goed?

a)

Hij kocht een mooi pak bij modezaak He-man.

b)

Hij heeft verstand als een pak van auto's.

c)

De appel valt niet ver van het pak.

d)

Ze kocht een cadeau voor hem en maakte er een mooi pak van.

8.

Wat betekent bovendien?

a)

door te praten

b)

laten zien

c)

woorden waarmee je iets duidelijk maakt

d)

ook nog, daarbij

9.

Wat is dit?

a)

narcose

b)

failliet

c)

duo

d)

calculator

10.

Welk woord is vaktaal van een kapper?

a)

sleutelen

b)

permanenten

c)

volley

d)

verschepen

11.

Welk woord is GEEN vaktaal van een automonteur?

a)

carrosserie

b)

brug

c)

motorblok

d)

tulpenbol

12.

Uit welk land komt het leenwoord spaghetti?

a)

Italië

b)

Japan

c)

Zweden

d)

Spanje

13.

Uit welk land komt het leenwoord sushi?

a)

China

b)

Denemarken

c)

Amerika

d)

Japan

14.

Uit welk land komt het leenwoord hamburger?

a)

Denemarken

b)

Zwitserland

c)

Engeland

d)

Duitsland

15.

Wat is dit?

a)

een nagerecht

b)

jus d'orange

c)

appelsap

d)

een dessert

16.

Op welk plaatje staat een trottoir?

a)
b)
c)
d)
17.

Hij slaat de ………… op zijn kop.

(a)  

18.

Hij gooit het …………...erbij neer.

(a)  

19.

De druk is van de ……...…………..

(a)  

20.

Dit is een heet ……………….

a)

hangijzer

b)

ding

c)

geval

d)

pannetje

21.

Welk woord is overbodig in de zin?

Ik zag een witte ijsbeer in de dierentuin.

a)

dierentuin

b)

ijsbeer

c)

witte

d)

Ik

22.

Welk woord is overbodig in de zin?

Safar gaf een harde gil toen ze van haar fiets viel.

a)

gaf

b)

harde

c)

gil

d)

fiets

23.

Is het letterlijk of figuurlijk?

Erik heeft het hart op de tong.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

24.

Klik aan welke twee zinnen letterlijk zijn.

a)

Mijn moeder heeft de neiging op elke slak zout te leggen.

b)

Drop kan zout en zoet zijn.

c)

Christa maakte van een vlieg een olifant.

d)

Er zat een vlieg op die olifant.

25.

Met meneer Aret kan het de laatste weken nog gezellig worden.

a)

ja

b)

ja, tuurlijk!

c)

ja, dat is het nu al.

d)

ja, zijn online lessen zijn zelfs al leuk!