Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoorden met ge-, ont-, ver-, be-

Total questions: 20

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Typ het juiste werkwoord.


Gisteren is dat grote huis (a)   (verbranden).

2.

Typ het juiste werkwoord.


Alex (a)   al bij de eerste zonnestralen (verbranden t.t.)

3.

Typ het juiste werkwoord.


Tijdens de les (a)   de docent vragen via de chat. (beantwoorden t.t.)

4.

Typ het juiste werkwoord.


Ondertussen (a)   er van alles op de achtergrond: van rare opmerkingen tot vreemde geluiden. (gebeuren t.t.)

5.

Typ het juiste werkwoord.


Dat was in de klas nog nooit eerder (a)   . (gebeuren)

6.

Typ het juiste werkwoord.


De docent (a)   de jongens daarmee op te houden. (vertellen t.t.)

7.

Typ het juiste werkwoord.


Iedereen, behalve Frans, (a)   het niet meer te doen. (beloven t.t.)

8.

Typ het juiste werkwoord.


Sinds Els de mute-knop heeft (a)   , kan ze een stuk rustiger werken. (ontdekken)

9.

Typ het juiste werkwoord.


Ze heeft de fouten in haar sommen (a)   . (verbeteren)

10.

Typ het juiste werkwoord.


Hij (a)   de herinneringen aan zijn opa in een mooie kist op zijn kamer. (bewaren)

11.

Typ de juiste werkwoorden in de goede volgorde achter elkaar met een spatie ertussen en het nummer ervoor.

Dus bijvoorbeeld: 1 fietst 2 fietst


Ze ______________ (1) niet, dat hij haar ooit heeft _____________(2). (geloven)

(a)  

12.

Typ de juiste werkwoorden in de goede volgorde achter elkaar met een spatie ertussen en het nummer ervoor.

Dus bijvoorbeeld: 1 fietst 2 fietst


Jan __________(1) zich dat moment niet. Zij heeft zich dat wel ____________(2). (herinneren)

(a)  

13.

Typ de juiste werkwoorden in de goede volgorde achter elkaar met een spatie ertussen en het nummer ervoor.

Dus bijvoorbeeld: 1 fietst 2 fietst


Dat was hem nog niet eerder __________(1). Bij mij daarentegen ________ (2) dat iedere dag. (gebeuren)

(a)  

14.

Typ de juiste werkwoorden in de goede volgorde achter elkaar met een spatie ertussen en het nummer ervoor.

Dus bijvoorbeeld: 1 fietst 2 fietst


Marion heeft de rekening nog niet _______________(1) , maar ze zegt dat ze dit morgen _______________(2). (betalen)

(a)  

15.

Mijn vader is snel ___________(1) van zijn val van het keukentrapje en mijn moeder ________(2) gelukkig ook van het griepje. (herstellen)

a)

1 herstelt 2 herstelt

b)

1 herstelt 2 hersteld

c)

1 hersteld 2 hersteld

d)

1 hersteld 2 herstelt

16.

De monteur heeft de prijs ________(1). De vraag is of hij dat wel goed ______________(2). (berekenen)

a)

1 berekend 2 berekend

b)

1 berekent 2 berekent

c)

1 berekend 2 berekent

d)

1 berekent 2 berekend

17.

Ze ___________(1) de papieren, maar hij vindt dat dat niet mag worden _____________(2). (verbranden)

a)

1 verbrand 2 verbrandt

b)

1 verbrandt 2 verbrandt

c)

1 verbrand 2 verbrand

d)

1 verbrandt 2 verbrand

18.

Hij had tijdens de vakantie spannende avonturen ________(1). Eigenlijk _____________(2) hij altijd wel iets vreemds. (beleven)

a)

1 beleeft 2 beleeft

b)

1 beleeft 2 beleefd

c)

1 beleefd 2 beleeft

d)

1 beleefd 2 beleefd

19.

Hij had tijdens de vakantie spannende avonturen ________(1). Eigenlijk _____________(2) hij altijd wel iets vreemds. (beleven)

a)

1 beleeft 2 beleeft

b)

1 beleeft 2 beleefd

c)

1 beleefd 2 beleeft

d)

1 beleefd 2 beleefd

20.

Ze heeft zich overal mee __________(1). Waarom ___________(2) ze zich niet alleen met zichzelf? (bemoeien)

a)

1 bemoeid 2 bemoeit

b)

1 bemoeid 2 bemoeid

c)

1 bemoeit 2 bemoeit

d)

1 bemoeit 2 bemoeid