wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

persoonlijke/bezittelijke/wederkerende/vragende voornaamwoorden

Total questions: 20

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Hun buurvrouw heeft vijf katten.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

e)

geen voornaamwoord

2.

Ik amuseer me bij het opstellen van deze quiz.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

e)

geen voornaamwoord

3.

Wie wordt de winnaar van deze quiz?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

e)

geen voornaamwoord

4.

Heb je zin in een leuke quiz?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

e)

geen voornaamwoord

5.

Jullie helpen jullie klasgenoten heel goed.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

e)

geen voornaamwoord

6.

Het meisje is dolverliefd.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

e)

geen voornaamwoord

7.

Hij schaamt zich voor zijn geknoei.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

e)

geen voornaamwoord

8.

Welk antwoord moeten we hier geven?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

e)

geen voornaamwoord

9.

Het regent al de hele voormiddag.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

e)

geen voornaamwoord

10.

We kennen haar als een sloddervos.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

vragend voornaamwoord

e)

geen voornaamwoord

11.

Je verveelt ... vaak in de les, zeker?

a)

jou

b)

je

c)

zich

d)

jullie

12.

... hobby's heb je?

a)

Jouw

b)

Wat

c)

Welke

d)

Wie

13.

De leerkracht geeft ... extra uitleg.

a)

we

b)

ons

c)

wij

d)

onze

14.

Heb ik ... al uitgenodigd voor het feest?

a)

u

b)

uw

15.

Ik geef ... agenda straks terug.

a)

jou

b)

jouw

16.

We denken veel aan ...

a)

hij

b)

zijn

c)

hem

d)

hun

17.

Sprak ik met ... vader?

a)

u

b)

uw

18.

Wij vergissen ... ook wel eens.

a)

ons

b)

zich

c)

we

d)

wij

19.

Ik geef ... geen chocolade meer.

a)

jou

b)

jouw

20.

... hebben ons goed geamuseerd.

a)

Jullie

b)

Zich

c)

Wij

d)

Onze