wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat vervoer

Total questions: 21

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

het spoor

a)
b)
c)
d)
2.

Het vervoersbewijs

a)
b)
c)
d)
3.

Welk woord past hier?

Kan het wat ...... Je praat zo hard.

a)

harder

b)

stiller

c)

sneller

d)

duidelijker

4.

Welk woord past?

De trein moet er om 11:05 zijn. Het is nu 11:30. De trein heeft .......

a)

vertraging

b)

vervoersbewijs

c)

overstappen

d)

aankomen

5.

de coupé

a)
b)
c)
d)
6.

Welk woord past hier?

De trein vertrekt om 11:05 van spoor 6. Ik sta om 11:06 op spoor 6 en de trein is net weg. Ik heb de trein ...............

a)

gemist

b)

vertraagd

c)

aangekomen

d)

gehaald

7.

Welk woord past hier?

De trein vertrekt om 11:05 van spoor 3. Om 11:04 stap ik in de trein op spoor 3. Ik heb de trein ...........

a)

gemist

b)

aangekomen

c)

uitgestapt

d)

gehaald

8.

de reiziger

a)
b)
c)
d)
9.

Wat is het tegenovergestelde (the opposite)?

hard geluid - ...... geluid

a)

harder

b)

duidelijk

c)

langzaam

d)

zacht

10.

Wat is het goede voorzetsel?

(reizen)n We gaan ............. het vliegtuig.

a)

op

b)

aan

c)

met

d)

om

11.

Wat is geen openbaar vervoer?

a)
b)
c)
d)
12.
a)

Om 11:55 vertrek je vanaf Den Haag Centraal.

b)

Om 11:55 vertrek je vanaf Amsterdam Centraal.

c)

Om 11:55 kom je aan in Maastricht.

d)

Om 11:55 kom je aan in Amsterdam.

13.

Waar moet je overstappen?

a)

Op Leiden Centraal en op Amsterdam Centraal

b)

Nergens

c)

Op Leiden Centraal en Den Haag Centraal

d)

Op NS Intercity

14.

Hoelang duurt de reis?

a)

Ongeveer 3,5 uur.

b)

Ongeveer 90 minuten.

c)

Ongeveer 15.30 uur.

d)

Van spoor 10 tot spoor 2.

15.

Dit is een ....

a)

plattegrond

b)

map

c)

straat

d)

weg

16.

Dit is een ...

a)

botsing

b)

plattegrond

c)

brommer

d)

lift

17.

Het verkeerslicht is ...

a)

kapot

b)

groen

c)

oversteken

d)

moe

18.

Welke zin klopt NIET?

a)

Je moet bij de tweede straat linksaf gaan.

b)

Je gaat bij de tweede straat links.

c)

Bij de tweede straat moet je linksaf slaan.

d)

Je moet bij de tweede straat naar linksaf.

19.

Wat doet hij/zij?

a)

tekenen

b)

schrijven

c)

kleuren

d)

schilderen

20.

Teken de situatie: Als je tram 3 ziet, dan moet je instappen.

21.

Teken de situatie: Je checkt in bij de bestuurder van de bus.