wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

basisboek nummers klas 2

Total questions: 119

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

wat is fysische geografie?

a)

een landschap door de mens aangepast

b)

een landschap dat niet door de mens is aangepast

2.

wat is het verschil tussen beschrijven en verklaren

a)

verklaren is vertellen en beschrijven is uitleggen

b)

verklaren is uitleggen en beschrijven is vertellen

3.

Wat is de relatieve ligging?

a)

wat de afstand is in tijd geld of moeite

b)

de afstand hemelsbreed

4.

Wat is wel een bevolkingskenmerk

a)

geloof kenmerken

b)

politieke kenmerken

c)

gebiedskenmerken

5.

Wat is het kleinste schaalniveau

a)

lokale schaal

b)

regionale schaal

c)

mondiale schaal

6.

Hoeveel dimensies zijn er in de aardrijkskunde

a)

4

b)

5

c)

6

7.

Wat zijn interne relaties

a)

relaties tussen een bepaald gebied

b)

relaties buiten een bepaald gebied

8.

Wat is de absolute afstand

a)

afstand in geld

b)

afstand hemelsbreed

c)

afstand in tijd

9.

Waarin staat de verklaring van alle symbolen

a)

informatie desk

b)

legenda

c)

schaal

10.

Wat zijn landkaarten met een schaal 1 : 50.000

a)

overzichtskaarten

b)

topografische kaarten

c)

staatskundige kaarten

11.

Hoe geef je de hoogte aan in een overzichtskaart

a)

symbolen

b)

kleuren

c)

hoogtelijnen

12.

Wat is een thematische kaart

a)

choropletenkaarten

b)

strippenkaarten

c)

geen van alle

13.

wat is generaliseren

a)

iets weglaten

b)

iets reorganiseren

c)

iets maken

d)

anticiperen

14.

ligt de zon altijd recht op de evenaar

a)

de zon vliegt en ligt niet

b)

ja

c)

nee

15.

in welke tijdzone leven wij

a)

+1

b)

-6

c)

+4

d)

0

e)

-9

16.

wat is belangrijker een hoofd of een deel vraag

a)

hoofd schouders knie en teen

b)

hoofd

c)

deel

17.

wat is de dampkring

a)

de buitenlaag van de aarde

b)

de lucht om ons heen

c)

het weer op dit moment

18.

met welke hoek staat de draaias

a)

90

b)

50

c)

23,5

19.

wat is geen factor van de temperatuur

a)

de evenaar

b)

de hoogte

c)

de ligging ten opzichte van een berg

20.

hoe dichter bij de zon hoe .... het is

a)

kouder

b)

gemiddelder

c)

warmer

21.

wat zijn isothermen

a)

lijnen die gelijke temperaturen met elkaar verbinden

b)

de isolatie van de aarde

c)

geen van deze

22.

hoeveel hoogtegordels zijn er

a)

9

b)

4

c)

geen van deze

d)

6

23.

met 100 m omhoog ..... kouder

a)

0,8

b)

0,6

c)

0,4

24.

is er op de aarde meer land of meer water

a)

meer land

b)

meer water

25.

langs zee zal het veel

a)

warmer

b)

kouder

c)

gemiddelder

26.

wolken bestaan uit water

a)

niet waar

b)

waar

c)

nee het word gemaakt in fabrieken door de overheid

27.

regen die omhoog gaat door de hitte rond de evenaar heet

a)

stuwingsregen

b)

stijgingsregen

c)

frontale regen

28.

de windkant van een gebergte is de

a)

loefzijde

b)

lijzijde

c)

regenzijde

29.

waardoor stijgt stijgingsregen

a)

door het botsen warme en koude lucht

b)

de warmte bij de evenaar

c)

door een gebergte

30.

waardoor zal het droog blijven

a)

door warme dalende lucht

b)

door koude vochtige lucht

c)

door een botsing van deze 2

31.

de schaal van beaufort loopt tot de

a)

5

b)

12

c)

44

32.

de wet van buys ballot heeft te maken met

a)

luchtdruk

b)

warmte

c)

wind

33.

de passaten waaien tussen

a)

30 graden en 60 graden

b)

de evenaar en 30 graden breedte

c)

60 graden en 90 graden

34.

de wind waait van

a)

hoge druk naar lage druk

b)

lage druk naar hoge druk

c)

het is random

35.

een orkaan ontstaat

a)

in de lucht

b)

boven water

c)

boven land

36.

in het oog van een orkaan is het

a)

windstil

b)

hele harde wind

c)

veel wolken

37.

een tornado ontstaat

a)

boven zee

b)

boven land

c)

in de lucht

38.

wat is de temperatuur

a)

de warmte van de lucht

b)

de warmte van de grond

c)

de warmte van de wind

39.

waarmee word de luchtdruk aan gegeven

a)

isobaren

b)

luchtdrukmeter

c)

geen van deze

40.

depressie in de aardrijkskunde is

a)

een berg

b)

dal

c)

lagedrukgebied

41.

wat staat in een klimaat diagram over de temperatuur

a)

de gemiddelde temperatuur elke maand

b)

de gemiddelde temperatuur elke week

c)

de gemiddelde temperatuur elk jaar

42.

wat is een tropisch klimaat in het systeem van Köppen

a)

B

b)

A

c)

C

43.

waar ligt de loofboom grens

a)

3 graden celcius

b)

0 graden celcius

c)

-3 graden celcius

44.

Wat is de juiste volgorde van de verschillende lagen binnen de aarde van binnen naar buiten?

a)

binnenkern-buitenkern-mantel-aardkorst

b)

buitenkern-binnenkern-aardkorst-mantel

c)

mantel-aardkorst-binnenkern-buitenkern

d)

aardkorst-mantel-buitenkern-binnenkern

45.

Waardoor worden de tektonische platen uit elkaar gedreven?

a)

Endogene krachten

b)

exogene krachten

46.

Hoe noem je een diepe kloof in de oceaan?

a)

mid-oceanische rug

b)

trog

47.

Tijdens welk proces ontstaat er een vulkaan?

a)

Divergentie

b)

door een grote aardbeving

c)

subductie

48.

Bij welke van deze vulkaansoorten is ontstaan doordat het dak van de magma kamer is ingestort?

a)

Schildvulkaan

b)

caldeiravulkaan

c)

stratovulkaan

49.

Waar vind een aardbeving plaats?

a)

epicentrum

b)

hypocentrum

50.

Wat doet de schaal van richter?

a)

hoe hoog het water staat

b)

de temperatuur

c)

meet aardbevingen

51.

Wat zorgt behalve de kracht van een aardbeving nog meer voor heel veel schade?

a)

de duur van de trillingen

b)

rotsen die open breken

c)

huilende kinderen

52.

Waar ontstaat een tsunami?

a)

in een grote stad?

b)

midden op zee

c)

boven op een berg

53.

Noem de 4 relief vormen van hoog naar laag?

a)

hooggebergte-middelgebergte-laagland-heuvelland

b)

hooggebergte-heuvelland-laagland-middelgebergte

c)

hooggebergte-laagland-heuvelland-middelgebergte

d)

hooggebergte-middelgebergte-heuvelland-laagland

54.

Welke van deze verweringen is biologische verwering?

a)

de samenstelling van een steen veranderd door stoffen in de grond

b)

een steen barst door de wortels van een plant

c)

door temperatuur verschillen valt een steen uit elkaar

55.

In welke volgorde ontstaan kiezelstenen in een beek of rivier?

a)

erosie-verwering-kiezelsteen

b)

verwering-erosie-kiezelsteen

56.

wat houd een ijstijd in?

a)

als het lekker zonnig is

b)

als er veel sneeuw is

c)

een koude perioden met ijskappen uitgespreid over de aardbodem

57.

Waar ontstaan firnbekken?

a)

boven op de berg

b)

in de atlantische oceaan

c)

alleen in zuid-amerika

58.

Hoe ontstaat een aanslibbingskust?

a)

doordat mensen er elke keer zand neerleggen omdat de zee die meeneemt

b)

doordat de zee elke keer stukjes zand er op het strand bij legt

59.

Wat is lithosfeer?

a)

de lucht om ons heen

b)

de aardkost

c)

het water, het leven op aarde

60.

Benoem de volgende landschaps zones van nat naar droog

a)

steppe woestijn, savanne, tropisch regenwoud

b)

tropisch regenwoud, savanne, steppe woestijn

61.

Wat is een heterogeen bos?

a)

een bos met alleen naaldbomen

b)

vochtige omgeving waar veel verschillende planten en bomen door elkaar groeien

c)

een gewoon bos

62.

Hoe ziet de savanne eruit?

a)

veel bomen en erg vochtig

b)

altijd droog

c)

een paar bomen en planten en vaak gras

63.

Hoe noem je een plek met water in de woestijn?

a)

steppe

b)

oase

c)

tropisch regenwoud

64.

Hoe beschrijf je een loofbos het best?

a)

alleen maar ijs en altijd koud

b)

gematigde zone redelijke temperaturen in zomer maar koud in de winter

c)

altijd lekker warm en weinig regen

65.

Wat is de naaldboomgordel?

a)

het tropisch regenwoud

b)

de grens tussen naaldbomen en toendra

c)

een gebied waar alleen naaldbomen groeien

66.

Wat is permafrost?

a)

permanente sneeuw

b)

het is onmogelijk dat er sneeuw valt

67.

Hoe warm is het als je alleen maar sneeuw en ijs ziet?

a)

minstens 0 graden

b)

in ieder geval 10 graden

c)

altijd lager dan 0 graden

68.

Wat is een ander woord voor plantengroei?

a)

vegetatie

b)

kokarde

69.

wat houdt bodemerosie in

a)

het verdwijnen van de bovenste vruchtbare bodemlaag

b)

het proces van een grote steen naar en klein kiezelsteentje

c)

het verdwijnen van grote stukken steen

70.

Wat is herbebossing?

a)

het terug groeien van eerder weggehakt bos

b)

het weg halen van grote stukken bos

71.

Waar voor zijn de bevolkingsaantallen heel belangrijk?

a)

inrichting

b)

stadgrote

72.

Wat wil het geboortecijfer van 15% zeggen?

a)

15 mensen hebben een baby gekregen

b)

er zijn per 1000 inwoners 15 baby's geboren

c)

15% van de geboortes zijn goed gegaan

73.

Met welke som kun je kun je het migratiesaldo berekenen?

a)

de som van vestiging en vertrek

b)

de som van immigranten en emigranten

74.

Wat is het verschil in absolute en relatieve bevolkingscijfers

a)

absoluut is maximum en relatieve is minimum

b)

absoluut met cijfers en relatieve met percentages

75.

Een ander woord voor bevolkingsafname

a)

catastrofe

b)

bevolkingskrimp

c)

minimalisering

76.

Waar is de toename van levensverwachting een belangrijke oorzaak voor

a)

sterftecijfer

b)

vergrijzing

77.

Wat kun je uit een bevolkingsdiagram lezen

a)

de kenmerken van de leeftijdsopbouw

b)

hoeveel mensen er in een land wonen

78.

Wat kun je zien in het demografische transitie mode

a)

hoe dat de bevolkingsgroei door de geboorte en sterfte over een langere tijd verandert

b)

hoe dat de bevolkingsgroei door de geboorte en sterfte over een kortere tijd verandert

79.

De verhouding tussen de productieve leeftijdsgroep en de niet productieve groep, hoe noem je dat?

a)

Demografische druk

b)

vergrijzing

c)

ontgroening

80.

Wat voor migratie is immigratie en emigratie?

a)

binnenlandse migratie

b)

Buitenlandse migratie

81.

Arbeidsmigranten die maar een paar jaar blijven hoe heten die?

a)

tijdelijke migranten

b)

het zijn geen migranten,

c)

Seizoensmigranten

82.

Hoe noem je een grens door middel van gebergte, kust, rivier, ect.?

a)

Natuurlijke grens

b)

kunstmatige grens

c)

organische grens

83.

Hoe noem je een groep mensen die al eeuwenlang samenwonen?

a)

Volk

b)

staat

c)

natie

84.

Hoe noem je het als bevolkingsgroepen met bepaalde kenmerken in een bepaalde wijk wonen?

a)

maatschappelijke segregatie

b)

Ruimtelijke segregatie

85.

Als een stad helemaal aan andere plaatse van groeit dan wordt dat een

a)

stadsgewest

b)

agglomeratie

c)

stedelijk gebied

86.

Urbanisatie is van

a)

stad naar platteland

b)

platteland naar stad

87.

Waarom kun je een model van een stad maken

a)

omdat steden zich daar dan op kunnen baseren

b)

omdat de steden heel veel op elkaar lijken

88.

Waardoor wordt het ruimtegebruik bepaald in de stad?

a)

Prijs van de grond

b)

de inwoners

89.

Uit welke beroepen bestaat de primaire sector?

a)

bouwbedrijven, elektriciteitsbedrijven, politie, leraar

b)

Landbouw, visserij en de winning van delfstoffen

90.

Wat is een ingericht landschap?

a)

Een landschap dat door activiteiten van mensen wordt verandert

b)

een landschap met een groot gebied

c)

een landschap waar veel dieren leven

91.

Wat is kapitaal?

a)

de mensen die werken

b)

het grondgebied

c)

Gebouwen, machines

92.

Wat zijn ruwe grondstoffen?

a)

IJzererts, wol

b)

aardolie, steenkool

93.

Wat is automatisering?

a)

vervanging van computers door mensen)

b)

Vervanging van mensen door computers

94.

Wat is een gewas?

a)

Een groep planten van dezelfde soort

b)

een groep planten van verschillende soort

c)

een groep planten

95.

Onder welke sector zit ambacht en industrie?

a)

Primaire sector

b)

secundaire sector

c)

tertiaire sector

96.

Wat is zware industrie?

a)

een bedrijf met veel personeel

b)

een heel groot bedrijf

c)

Bedrijven die veel met grondstoffen werken

97.

Hoe noem je een reden waarom een bedrijf zich ergens wil vestigen?

a)

plaatsfactor

b)

vestigingreden

c)

Vestigingsplaatsfactor

98.

Wat is een verzorgingsgebied?

a)

een gebied voor verzorgers

b)

een gebied waar je mensen kan verzorgen

c)

Het gebied dat gebruikt maakt van de stedelijke voorzieningen

99.

Wat betekent toerisme?

a)

ergens naar toe gaan buiten je huis

b)

Reizen naar een plaats buiten je normale omgeving

100.

Wanneer is toerisme het drukst?

a)

Mei – juni

b)

november- december

c)

Juli – Augustus

101.

Hoe noem je de bedrijven die zich bezighouden met toerisme?

a)

toerisme voorziening

b)

toeristenbedrijf

c)

De toeristenindustrie

102.

Wat is globalisering?

a)

reizen over de wereld

b)

dat er verschillende soorten culturen zijn

c)

Het uitwisselen van kennis en cultuur

103.

Wat is een kolonie?

a)

Een gebied dat in bezit is van een ander land

b)

een land met meerder gebieden

c)

een arm land

104.

Wat is een plantage?

a)

een groot gebied met verschillende soorten planten

b)

Een groot gebied met een soort plant

c)

geen van beide

105.

Wat is een centrumland?

a)

een land in het midden van de wereld

b)

Dat zijn de rijke landen in de wereld

c)

het middelpunt van een land

106.

Wat is een relatieve afstand?

a)

het aantal meter dat je moet reizen om ergens naartoe te gaan

b)

De tijd die het kost om ergens naartoe te gaan

c)

et aantal meters hemelsbreed om ergens naar toe te reizen

107.

Wat is een metropool?

a)

Stad met meer dan 1 miljoen inwoners

b)

stad met meer dan honderdduizend inwoners

c)

stad met meer dan 5 miljoen inwoners

108.

Wat zijn stukgoederen?

a)

goederen die stuk zijn

b)

Apart verpakte goederen

c)

veel goederen bij elkaar

109.

Wat is intermodaal transport?

a)

Transporten die op elkaar afgestemd zijn

b)

vervoersmiddelen voor mensen

c)

transporten over de hele wereld

110.

Wat is het ontwikkelingspeil?

a)

De rijkdom in een land

b)

De armoede in een land

c)

beide

111.

Wat zijn de BRIC-landen?

a)

De meest opkomende groeilanden

b)

de armste landen ter wereld

c)

de rijkste landen ter wereld

112.

Hoe noem je het verschuiven van het economisch zwaartepunt

a)

Global shift

b)

economische verschuiving

c)

economische shift

113.

Wat is een multinationale onderneming?

a)

een bedrijf met meerdere vestigingen

b)

Een bedrijf met vestigingen in een land

c)

Een bedrijf met vestigingen in verschillende landen

114.

Hoe noem je de verdeling van werk over verschillende landen?

a)

Internationale arbeidsverdeling

b)

nationale arbeidsverdeling

c)

geen van beide

115.

Wat is regionale ongelijkheid?

a)

De verschillen in welvaart tussen gebieden in een land

b)

De verschillen in welvaart tussen gebieden in de wereld

116.

Hoe noem je landen waar de industrie snel is opgekomen?

a)

Newly Industrializing Countries

b)

Industrializing Countries

c)

Newly Industrializing World

117.

Wat is het bruto nationaal product?

a)

het geld wat iemand verdient

b)

De totale productie van goederen en diensten in een land

c)

de gemiddelde kosten van een product

118.

Wat zijn basisbehoeftes?

a)

Dingen die we op de wereld nodig hebben

b)

Dingen die je nodig hebt om te kunnen overleven

c)

Dingen die je graag zou willen hebben

119.

Wat is kwantitatieve honger?

a)

Dan eet je te veel ongezond eten

b)

Dan heb je te weinig vitaminen

c)

Dan is het aantal voeding niet genoeg om je maag te vullen