wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1B H5 GrZD Meewerkend voorwerp

Total questions: 10

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?


Ik vertel jou die ene mop morgen wel.

a)

Ik

b)

morgen

c)

jou

d)

er zit geen meewerkend voorwerp in deze zin

2.

Het meewerkend voorwerp vind je door te vragen: 'aan wie of voor wie' + pv + ow + wg (+ lv). Wat is het mv in de volgende zin?


Aan het aanrecht voor de vuilnisbak overhandigt hij aan mij de sleutel voor de nieuwe auto.

a)

aan het aanrecht

b)

voor de vuilnisbak

c)

aan mij

d)

voor de nieuwe auto

3.

Welke zin is juist verdeeld in zinsdelen?

a)

Zijn / broertje / maakte / die lastige / breuken zonder / fouten.

b)

Zijn broertje / maakte / die / lastige breuken / zonder fouten.

c)

Zijn broertje / maakte / die lastige breuken / zonder fouten.

4.

Lastig: Welke zin hieronder volgt precies (!) de volgorde zoals hieronder staat?


ow - pv/wg - mv - lv

a)

Die jongen koopt een auto voor zijn zusje.

b)

Die jongen heeft een auto gekocht voor zijn zusje

c)

Die jongen koopt voor zijn zusje een auto.

5.

Lastig: welke zin hieronder volgt precies (!) de volgorde zoals hier aangegeven?


mv - pv/wg - ow - lv - wg

a)

Voor jou heb ik een ijsje gekocht.

b)

Voor de winkel heb ik op je staan wachten.

c)

Aan jou moet ik de hele dag denken.

d)

Voor die knappe docente wil ik het verhaal nog een keer vertellen.

6.

In welke zin staat een meewerkend voorwerp?

a)

Elke woensdag geeft Joanne de plantjes op haar kamer water.

b)

Op de kermis worden de kinderen de hele dag vermaakt.

7.

Benoem uit de volgende zin pv, ow, wg, lv en mv. Noteer als volgt:

pv:

ow:

wg:

lv:

mv:


Sommige ouders kopen een huisdier voor hun kind.


4 lines
8.

Benoem uit de volgende zin pv, ow, wg, lv en mv. Zet een streepje als het zinsdeel niet voorkomt.


Je mag deze diertjes aaien.

4 lines
9.

In de zin "De turner hing aan de ringen." is het woordje aan een voorzetsel.

a)

juist

b)

onjuist

10.

In de zin "De trein kwam om 11 uur aan op het perron" is het woordje aan een voorzetsel.

a)

Juist

b)

Onjuist