Font size
WorksheetsVoornaamwoorden
Total questions: 15
Worksheet time: 8mins
Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
Heb je mijn nieuwe bril al gezien?
je
al
mijn
gezien
Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
Dat zijn onze jassen.
dat
onze
jassen
zijn
Schrijf de bezittelijke voornaamwoorden op:
Ik heb de spelcomputer van jouw zusje geleend, maar ze wil haar spelcomputer graag terug.
(a)
Geef de bezittelijke voornaamwoorden:
Mijn kamer is een grote bende, terwil=jl zijn kamer erg schoon is.
mijn, zijn
mijn, zijn, is
mijn
zijn
Benoem de woordsoort:
Zulke boeken leest zij nooit
vragend voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
wederkerig voornaamwoord
onbepaald voornaamwoord
Benoem de woordsoort:
Heb jij gisteren naar die film gekeken?
onbepaald voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Welke zin hoort bij het wederkerig voornaamwoord?
Hij vergiste zich
Tijdens het koken had ik me gesneden
Tijdens het feestje waren we met elkaar
Welke zinnen horen bij het wederkerend voornaamwoord?
Johan en Pieter verdedigen elkaar.
Ellen en Gea vervelen elkaar
Johan en Pieter verdedigen zich
Ellen en Gea vervelen zich
Benoem de woordsoort:
Wie heeft mijn schoenen gezien?
persoonlijk voornaamwoord
vragend voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
Bekijk onderstaande rijtjes: welke bevatten alleen aanwijzende voornaamwoorden?
dat, dit, ginds, datgene, elkaars
diens, degene, datgene, ginds, wier
soortgelijke, degene, zelf, zo'n dezelfde
Heb je je vergist met het maken van die som?
je is een
persoonlijk voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Benoem de woordsoort:
Niemand wil eten voor mij koken.
persoonlijk voornaamwoord
onbepaald voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Benoem de woordsoort:
We hebben het allemaal wel eens iets kapot gemaakt.
allemaal: telwoord/iets: onbepaald voornaamwoord
allemaal en iets zijn aanwijzende voornaamwoorden
beide woorden zijn aanwijzende voornaamwoorden
beide woorden zijn onbepaalde voornaamwoorden
Benoem de woordsoorten (schrijf de juiste afkorting op):
Ik heb mijn moeder al een tijdje niet gesproken.
(a)
Benoem de woordsoorten (afkortingen opschrijven):
Niemand wil mij helpen bij het leren van die moeilijke toets.
(a)
