Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kader 3 - hoofdstuk 4 - paragraaf 1 en 2

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen voorbeeld van een inwendige prikkel?

a)

Aanraking

b)

Honger

c)

Geluid

d)

Geur

2.

Wanneer wordt je je bewust van je waarneming?

a)

Op het moment dat de prikkel je zintuigen binnenkomt

b)

Als de prikkel wordt omgezet in een impuls

c)

Als de impuls vervoert wordt

d)

De impuls in je hersenen aankomt.

3.

Welke volgorde is de juiste?

a)

Prikkel --> zintuig --> impuls --> zenuw --> hersenen --> impuls --> zenuw

b)

Zintuig --> prikkel --> impuls --> hersenen --> zenuw

c)

Prikkel -> impuls --> zenuw --> hersenen --> zenuw --> impuls

d)

Zintuig --> impuls --> hersenen --> zenuw --> impuls

4.

Welke onderdelen behoren tot het centraal zenuwstelsel

a)

Ruggenmerg

b)

Hersenen

c)

Zenuwen

5.

Uit hoeveel zintuigen bestaat het zintuigenstelsel?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

6.

Aan wat zijn zintuigcellen verbonden?

a)

prikkel

b)

impuls

c)

zenuwen

d)

hersenen

7.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving: Een elektrisch signaal dat wordt afgegeven door zenuwcellen en wordt doorgegeven aan het zenuwstelsel.

a)

Hersenen

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zintuigcellen

8.

Wat is er in het plaatje te zien?

a)

Zintuigcel

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zenuw

e)

Deel van de hersenen

9.

Vorm en temperatuur zijn adequate prikkels voor de tastzintuigen.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Uitwendige prikkels worden ook wel impulsen genoemd.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.
Wat zijn zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, huid, handen
b)
ogen, mond, oren, huid, neus
c)
ogen, oren, mond, huid, neus, voeten
d)
ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel
12.

Een heel klein beetje zout op je patat proef je niet, als je er veel op doet proef je het wel. Met welk begrip heeft dit te maken?

a)

Drempelwaarde

b)

Gewenning

c)

Motivatie

13.

Het gekleurde deel van het oog heet

a)

Het hoornvlies

b)

De iris

c)

De pupil

14.

In het midden van het gekleurde gedeelte van het oog zit een opening, dat is

a)

Het hoornvlies

b)

De iris

c)

De pupil

15.

Het doorzichtige vlies wat over het gekleurde en over de opening van het oog heen zit is

a)

Het hoornvlies

b)

De iris

c)

De pupil

16.

Wat geeft onderdeel a weer?

a)

Traanbuis

b)

Traanpunt

c)

Traanklier

d)

Traankanaal

e)

Traanzak

17.

Wat geeft onderdeel g weer?

a)

Traanbuis

b)

Traanpunt

c)

Traanklier

d)

Traankanaal

e)

Traanzak

18.

Wat geeft onderdeel c en f weer?

a)

Traanbuis

b)

Traanpunt

c)

Traanklier

d)

Traankanaal

e)

Traanzak

19.

Wat is de functie van de wenkbrauwen?

a)

Beschermen je oog tegen stof en fel licht.

b)

Zorgen dat vocht en zweet niet in je oog komt.

c)

Beschermt het oog en verspreid het traanvocht.

d)

Beschermen van de onderdelen van het oog

20.

Wat is de functie van het ooglid?

a)

Beschermen je oog tegen stof en fel licht.

b)

Zorgen dat vocht en zweet niet in je oog komt.

c)

Beschermt het oog en verspreid het traanvocht.

d)

Beschermen van de onderdelen van het oog.

21.

Het licht dat je oog binnenkomt, gaat langs:

a)

Hoornvlies - pupil - lens - glasachtig lichaam - netvlies

b)

Pupil - hoornvlies - lens - glasachtig lichaam - netvlies

c)

Hoornvlies - lens - pupil - glasachtig lichaam - netvlies

d)

Lens - hoornvlies -pupil - netvlies - glasachtig lichaam

22.

Welke zintuigcellen bevinden zich in je gele vlek

a)

alleen staafjes

b)

Zowel staafjes als kegeltjes

c)

Alleen kegeltjes

d)

geen van beide

23.

Met welke zintuigcel kun je bij heel weinig licht toch wat zien

a)

Staafjes

b)

Kegeltjes

24.

Bij welke van de ogen zou het waarschijnlijk donker zijn

a)

Oog 1

b)

Oog 2

c)

Bij beide

25.

Wat geeft onderdeel 6 weer?

a)

Netvlies

b)

Gele vlek

c)

Vaatvlies

26.

Wat geeft onderdeel 8 weer?

a)

Gele vlek

b)

Netvlies

c)

Blinde vlek

d)

Hoornvlies

27.
Als de lensbandjes zijn ontspannen dan is de ooglens:
a)
Bol
b)
Plat
c)
Dat is niet te zeggen.
28.
Het boller en platter worden van de lens noemen we:
a)
Accomodaty
b)
Accomoderen
c)
Accomolatie
d)
Accodilatie
29.
Wanneer is een oog in rusttoestand?
a)
als het kijkt naar een voorwerp ver weg
b)
als het kijkt naar een voorwerp dichtbij
30.

De lens van een oog is bol. Kijkt dit oog nu naar een voorwerp ver weg of dichtbij?

a)

ver weg

b)

dichtbij

31.
Het trommelvlies geeft de prikkel door aan de ...
a)
Gehoorgang
b)
Slakkenhuis
c)
Gehoorbeentjes
32.
Waar liggen de gehoorzintuigcellen?
a)
In het evenwichtsorgaan
b)
In de gehoorzenuw
c)
In het slakkenhuis
d)
Tussen de gehoorbeentjes
33.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Keelholte
b)
Buis van Eustachius
c)
Trommelholte
34.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Buis van Eustachius
b)
Gehoorgang
c)
Gehoorzenuw
35.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Slakkenhuis
b)
Evenwichtsorgaan
c)
Gehoorbeentjes