wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

rekenen groep 6

Total questions: 30

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.
3 x 7
a)
20
b)
14
c)
21
d)
35
2.
187+3=
a)
191
b)
899
c)
190
d)
177
3.
9+9+9
a)
21
b)
27
c)
90
d)
61
4.
Je zit in een race en haalt nummer twee in. Op welke positie zit je? 
a)
Eerste
b)
Tweede
c)
Derde
d)
Laatste
5.
Je zit in een race en haalt nummer twee in. Op welke positie zit je? 
a)
Eerste
b)
Tweede
c)
Derde
d)
Laatste
6.
Welk deel van de pizza is over?
a)
2/5
b)
2/4
c)
5/10
d)
3/5
7.
Je deelt deze reep met 4 vrienden. Hoeveel krijgt iedereen?
a)
4/5
b)
5 stukjes
c)
1/4
d)
1/5
8.
6 : 2 x 3 =
a)
9
b)
1
c)
36
d)
Het juiste antwoord staat er niet bij
9.
Een fietser heeft een snelheid van 24 km/uur. Wat is de afstand na  2,5 uur?  
a)
100 dm
b)
52 m
c)
60 km
d)
a, b en c kloppen niet
10.
A=30 en B=40
C=A+B
Hoe groot is C?
a)
1200
b)
70
c)
80
11.
Op welke dag is het minimumtemperatuur het laagst?
a)
Maandag
b)
Dinsdag
c)
Woensdag
d)
Donderdag
12.
Op welke dag is het minimumtemperatuur het laagst?
a)
Maandag
b)
Dinsdag
c)
Woensdag
d)
Donderdag
13.
Julia maakt een lijst om een schilderij. Het schilderij is 85 cm bij 55 cm.
Hoeveel meter lijst heeft Julia nodig?
a)
1,4 m
b)
2,8 m
c)
140 m
d)
280 m
14.
Nicolaas gaat op vakantie. Hij zit 224 minuten in de auto.
Hoeveel uren en hoeveel minuten zit hij in de auto?
a)
2 uur en 24 minuten
b)
2 uur en 44 minuten
c)
3 uur en 44 minuten
d)
4 uur en 24 minuten
15.
Een auto rijdt 1 op 12.
Je rijdt 60 kilometer.
Hoeveel liter benzine verbruik je?
a)
3
b)
4
c)
5
d)
6
16.
Meester Koen laat 10 scheetjes. 
Juffrouw Pauline laat er 1. 
Juffrouw Rebecca laat 4 scheetjes. 
Hoeveel scheetjes zijn dat samen. 
a)
13
b)
23
c)
15
d)
26
17.
Er zijn 100 vissen in de zee. Er gaan er 60 dood. En er worden er 15 geboren. 
Hoeveel vissen zwemmen in de zee?
a)
65
b)
55
c)
45
d)
35
18.
Dit is een optelsom. Elk driehoekje stelt een getal voor. Welk driehoekje staat voor welk getal?
a)
Groen=1, Blauw=3, Rood=4
b)
Groen=6, Blauw=5, Rood=3
c)
Groen=4, Blauw=6, Rood=3
d)
Groen=6, Blauw=4, Rood=3
19.
2/5 van 10 =
a)
5
b)
2
c)
4
d)
2,5
20.
3/4 is hetzelfde als
a)
6/8
b)

3/12

c)
1/3
d)
1/4
21.
Een hele bestaat uit:
a)
3/6
b)
4/8
c)
2/2
d)
3/4
22.
a)

2

10

b)

1

10

c)

2

5

23.

Klik op de goede breuk.

6/10 =

a)

1/2

b)

3/4

c)

3/5

d)

2/5

24.
Wat is de teller in deze breuk?
a)
1
b)
5
25.
Kies de bijbehorende breuk
a)
1
-
5
b)
2
-
5
c)
5
-
2
d)
2
-
3
26.
Kies de bijbehorende breuk
a)
1
-
5
b)
4
-
5
c)
5
-
1
d)
5
-
4
27.
Kun je deze breuk nog vereenvoudigen?
a)
                 20
Ja tot    -
                 28
b)
                  10 
 Ja tot    -
                 14
c)
                   5
Ja tot      -
                  7
d)
Nee
28.
Bereken.
a)
6
-
12
b)
2
-
12
c)
3
-
6
d)
1
-
3
29.
Haal de helen uit de breuk.
a)
3
b)
      3
3    - 
      6
c)
       1
3     - 
       2
d)
4
30.

Hoeveel procent is 1/5?

a)

15%

b)

30%

c)

25%

d)

20%