wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Talent Woordenschat 3 Kader hoofdstuk 03

Total questions: 20

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.
accepteren
a)
aanvaarden, goed vinden
b)
iemand die aan de universiteit een onderzoek doet
c)
briljant, extreem intelligent
2.
associëren
a)
in je gedachten dingen in verband brengen met iets anders
b)
het werk dat je doet
c)
het alleen moeten doen
3.
een buitenbeentje zijn
a)
in uiterlijk, gedrag of denkbeelden afwijken van je omgeving
b)
het verslag van een onderzoek
c)
de loopbaan
4.
constateren
a)
vaststellen
b)
het verloop, de voortgang
c)
besturen, leiden
5.
de cultuur
a)
de manier waarop een groep mensen leeft
b)
het toenemen van de grootte, bijvoorbeeld van een bedrijf
c)
voorwerp dat je ergens speciaal voor kunt gebruiken
6.
de doelgroep
a)
de groep mensen waarvoor iets bestemd is
b)
het resultaat dat iets oplevert vergeleken met de kosten, de winst
c)
niet met iemand omgaan, iemand negeren
7.
ergens lak aan hebben
a)
niet luisteren naar negatieve dingen die mensen over je zeggen of denken
b)
het percentage van alle kopers waaraan één bedrijf zijn producten verkoopt
c)
het verslag van een onderzoek
8.
etnisch
a)
met betrekking tot een volk, volkenkundig
b)
het idee waarvan nog bewezen moet worden dat het juist is
c)
aanvaarden, goed vinden
9.
generaliseren
a)
op grond van één voorbeeld een heleboel andere gevallen hetzelfde beoordelen
b)
het gevoel van tevredenheid
c)
tot gevolg hebben
10.
identificeren
a)
bewijzen wie je bent met officiële papieren
b)
het beter doen dan iemand anders
c)
merken, voelen
11.
iemand links laten liggen
a)
niet met iemand omgaan, iemand negeren
b)
het beeld dat mensen hebben van iemand of iets
c)
het beeld dat mensen hebben van iemand of iets
12.
het imago
a)
het beeld dat mensen hebben van iemand of iets
b)
het alleen moeten doen
c)
de bezieling, de kracht om nieuwe ideeën te krijgen
13.
in een hokje stoppen
a)
al heel snel een oordeel over iemand hebben
b)
geld of iets anders geven voor een (goed) doel
c)
voorbijgaan
14.
de invloed
a)
de uitwerking op iets of iemand, het effect
b)
geld inzamelen voor een (goed) doel
c)
ervoor zorgen dat je iets niet vertrouwt
15.
de norm
a)
de regel waar mensen zich aan moeten houden
b)
ervoor zorgen dat je iets niet vertrouwt
c)
elk detail willen kennen
16.
de ongeschreven regel
a)
iets wat zo hoort, zonder dat het ergens vastgelegd is
b)
erg hard werken
c)
je betrokken voelen bij je omgeving en de samenleving
17.
de persoonlijkheid
a)
de manier waarop iemand denkt en doet, het karakter
b)
elk detail willen kennen
c)
samen met anderen schuldig aan iets dat strafbaar is
18.
sociaal
a)
1 met betrekking tot de maatschappij<br />2 met gevoel voor de mensen om je heen
b)
een slechte ontwikkeling die steeds slechter wordt
c)
de regel waar mensen zich aan moeten houden
19.
het stigma
a)
iets dat afbreuk doet aan iemands imago
b)
een situatie waar beide partijen voordeel van hebben
c)
vaststellen
20.
de waarde
a)
wat belangrijk voor je is
b)
een lagere positie geven of krijgen
c)
vastleggen