wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

woordsoortbenoeming

Total questions: 15

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Benoem het onderstreepte woord:

Hij heeft zijn shirt al aan.

a)

ww

b)

znw

c)

lw

d)

bnw

2.

Benoem het onderstreepte woord:

Hij heeft zijn shirt weggegooid.

a)

ww

b)

znw

c)

bnw

d)

pers.vnw

3.

Benoem het onderstreepte woord:

Zij verzon een liedje zonder woorden.

a)

ww

b)

pers.vnw

c)

vz

d)

lw

4.

Waar worden de woorden opgeslagen?

a)

ww

b)

znw

c)

lw

d)

pers.vnw

5.

Waar worden de woorden opgeslagen?

a)

ww

b)

znw

c)

pers. vnw

d)

vz

6.

Dat heeft u toch al gezegd?

a)

ww

b)

znw

c)

losse letter

d)

pers. vnw

7.

In de herfst vallen er genoeg bladeren van de boom.

a)

znw

b)

pers. vnw

c)

lw

d)

vz

8.

Hij loopt altijd voor mijn voeten!

a)

ww

b)

znw

c)

lw

d)

vz

9.

In gedachten ben ik bij hem.

a)

znw

b)

vz

c)

bnw

d)

ww

10.

Dat vriendelijke ventje heeft een scheur in zijn broek.

a)

pers. vnw

b)

bnw

c)

znw

d)

lw

11.

Hij was gisteren bij café 't Haantje.

a)

pers. vnw

b)

lw

c)

znw

d)

bnw

12.

Het deed best pijn.

a)

lw

b)

pers.vnw

c)

znw

d)

ww

13.

Het lidwoord in de zin is te vinden.

a)

lw

b)

znw

c)

ww

d)

pers. vnw

14.

Dagelijks koopt hij hier zijn krantje.

a)

ww

b)

bnw

c)

znw

d)

lw

15.

Hij viel van de kast op de mat.

a)

ww

b)

lw

c)

znw

d)

vz