wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4.1

Total questions: 21

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

In de bron komen 3 verschillende geldfuncties

naar voren.

Bij (a) is het de functie van ..........middel.

a)

Reken

b)

Ruil

c)

Oppot

2.

Een ruil komt tot stand als

a)

Minimaal één van de twee partijen een voordeel heeft

b)

Alle partijen een voordeel hebben

c)

Geen enkele partij hoeft per se een voordeel te hebben

3.

Twee beweringen over spreekwoorden/gezegden over geld.

I. "De eerste klap is een daalder waard" betekent: goed begonnen is half gewonnen.

II."Geen centje pijn hebben" betekent: heel veel geld hebben.

Welke bewering(en) is/zijn juist?

a)

I en II zijn allebei goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide antwoorden zijn fout

4.

Twee beweringen over chartaal geld.

I. Chartaal geld zijn alle munten en bankbiljetten bij mensen en bedrijven, exclusief banken.

II.Chartaal geld moet wettelijk geaccepteerd worden.

Welke bewering(en) is/zijn juist?

a)

Beide antwoorden zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide antwoorden zijn fout

5.

Gaat het om chartaal geld, giraal geld of geen geld in Nederland?

Een 10 Deense kronenbiljet in je portemonnee.

a)

Chartaal

b)

Giraal

c)

Geen

6.

Gaat het om chartaal geld, giraal geld of geen geld in Nederland?

€ 72,45 op je betaalrekening.

a)

Chartaal

b)

Giraal

c)

Geen

7.

Een goed dat als ruilmiddel moet functioneren hoeft niet te voldoen aan de eigenschap dat het ......

a)

Waardevast is

b)

Gewild is

c)

Dat het niet makkelijk deelbaar is

d)

Dat een kleine hoeveelheid een hoge waarde heeft

8.

Fiduciair geld is geld zonder onderliggende waarde en daardoor gebaseerd op vertrouwen.

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

De nominale waarde van geld is de waarde van het materiaal waarvan het gemaakt is.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Een product met een inkomenselasticiteit van 3.45 is een

a)

Luxe goed

b)

Noodzakelijk goed

c)

Inferieur goed

11.

Als een budgetlijn naar links verschuift, komt dat doordat

a)

Het budget is gestegen

b)

Het budget is gedaald

c)

De prijzen zijn gedaald

12.

De arbeidsproductiviteit kan verhoogd worden door meer werknemers aan te nemen

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Door inflatie daalt de interne waarden van geld

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

De ideale inflatie volgens de ECB is bijna 2%

a)

Juist

b)

Onjuist

15.

Douwe heeft net gevoetbald en heeft ontzettend dorst. Hij heeft 4 euro over voor een flesje AA. De prijs in de kantine van een flesje AA is 1,50 euro. Het individuele consumentensurplus van Douwe is

a)

2,50

b)

Hij heeft geen individueel consumentensurplus

c)

1,50

d)

4 euro

16.

Een fiets en een fietsbel zijn voorbeelden van

a)

Complementaire goederen

b)

Substitueerbare goederen

c)

Completueerbare goederen

d)

Substimentaire goederen

17.

Qv = -6p + 60


Bij welke prijs worden er geen producten gekocht?

a)

10

b)

11

c)

12

d)

13

18.

Het inkomen van Gerrit stijgt van 1500 naar 1650 euro. Hierdoor koopt Gerrit meer brood, zijn uitgaven stijgen van 50 euro naar 60 euro. Brood is voor Gerrit een

a)

Luxe goed

b)

Noodzakelijk goed

c)

Inferieur goed

19.

TK = 40q + 100

Als er 10 producten verkocht worden zijn de constante kosten

a)

100

b)

500

c)

400

d)

10

20.

TK = 31q + 830

De marginale kosten zijn

a)

31

b)

830

c)

13

d)

Ik heb geen idee

21.

TK = 10q + 500

De gemiddelde totale kosten bij 10 verkocht producten zijn

a)

60

b)

10

c)

500

d)

600