Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Pluriforme samenleving

Total questions: 36

Worksheet time: 1hrs 18mins

Name
Class
Date
1.

Een kenmerk van de pluriforme samenleving is dat:

a)

er verschillende godsdiensten zijn.

b)

er geen dominante cultuur is.

c)

kinderen zakgeld krijgen

d)

vrouwen een betaalde baan hebben

2.

Wat is een cultuurgroep?

a)

Een groep mensen die op dezelfde plek geboren zijn.

b)

Een groep mensen die er hetzelfde uitzien.

c)

Een groep mensen die dezelfde normen, waarden en gewoonten hebben.

d)

Een groep mensen met dezelfde hobby's.

3.

Wat is een subcultuur?

a)

Een cultuur van een kleine groep mensen binnen een samenleving

b)

Een cultuur van mensen vroeger

c)

Een subcultuur is juist geen cultuur

d)

Een cultuur van de meeste mensen

4.

Wat is een dominante cultuur?

a)

Normen, waarden en gewoonten van sommige mensen in een land

b)

Een cultuur die mensen wordt opgedrongen

c)

Normen, waarden en gewoonten van de meeste mensen in een land

d)

Eén van de subculturen

5.

Wat is een pluriforme samenleving?

a)

Een samenleving waar maar 1 cultuur is

b)

Een samenleving met 1 dominante cultuur

c)

Een samenleving met veel verschillende subculturen

d)

Samenleving van mensen met verschillende culturen en levensstijlen

6.

Wat is een vooroordeel?

a)

Een oordeel over iemand omdat het klopt

b)

Een oordeel over iemand of iets zonder dat je de feiten of de persoon kent

7.

Boeren in Nederland behoren tot ... ?

a)

De dominante cultuur

b)

Een subcultuur

c)

Zowel de dominante als een subcultuur

8.

Wanneer spreek je van gezinshereniging?

a)

Wanneer iemand zijn of haar gezin uit het buitenland naar Nederland haalt

b)

Wanneer iemand trouwt met een partner uit het buitenland

c)

Wanneer vluchtelingen elkaar na jaren van oorlog weer terug vinden

d)

Wanneer de man genoeg geld heeft verdiend en terug gaat naar zijn gezin in het buitenland.

9.

Wanneer spreek je van emigratie?

a)

Wanneer je verhuist naar een andere stad

b)

Wanneer je weggaat uit jouw eigen land

c)

Wanneer jij jouw provincie uit gaat

d)

Wanneer je een land in komt

10.

Wie bepaalt wie wordt toegelaten in Nederland?

a)

De regering

b)

De gemeentes

c)

De Europese Unie

d)

De IND

11.

Welk verdrag zegt dat je als land een vluchteling niet mag weigeren?

a)

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

b)

Het verdrag van Genéve

c)

Het verdrag van Schengen

d)

Het Europese verdrag van de Rechten van de Mens

12.

Poolse mensen gaan in Nederland vooral naar Poolse kerkdiensten, Poolse Supermarkten en gaan enkel met Poolse mensen om. Welk begrip herken je hier?

a)

Segregatie

b)

Assimilatie

c)

Integratie

d)

Discriminatie

13.

Wat betekent integratie?

a)

Bevolkingsgroepen leven gescheiden van elkaar

b)

Bevolkingsgroepen moeten zich volledig aanpassen aan de dominante cultuur

c)

Uitwisseling van subculturen van nieuwkomers en de dominante cultuur.

d)

De bevolkingsgroepen moeten zich houden aan de Nederlandse waarden en normen

14.

Turken en Marokkanen kwamen als ..

a)

Asielzoekers

b)

Gastarbeider

15.

Een gastarbeider komt naar Nederland omdat

a)

Hij hier werk kan krijgen

b)

hij vlucht voor de oorlog

16.

Polen kunnen in Nederland werken omdat...

a)

Polen is lid van de EU

b)

Nederland nodigt poolse gastarbeiders uit

17.

Gezinsvorming betekent dat families weer herenigt worden

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Niet elke asielzoeker is een vluchteling

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Immigratie betekent:

a)

Mensen die naar een ander land verhuizen

b)

Een andere taal leren

c)

Oorlogsvluchtelingen

20.

wanneer ben je immigrant?

a)

Als je Nederland binnen komt om er te gaan wonen

b)

Als je uit Nederland vertrekt om in een ander land te gaan wonen

21.

wanneer ben je allochtoon?

a)

als je zelf in een ander land geboren bent

b)

als je ouders allebei in een ander land geboren zijn

c)

als één van je ouders in een ander land geboren is

d)

als je opa of oma in een ander land geboren is

22.
Welke van de onderstaande mensen is een autochtoon?
a)
Griselda heeft de Nederlandse nationaliteit, maar is geboren in   Suriname.
b)
De Amerikaan John Davis is van de Verenigde Staten naar   Nederland verhuisd.
c)
Patrick is geboren in Emmen. Zijn ouders komen uit Drachten,   maar zijn grootouders waren Frans.
d)
Mariëtte is geboren en opgegroeid in Brussel. Via een   uitwisselings­programma studeert ze nu in Amsterdam.
23.

Wat is een pluriforme samenleving?

a)

Een samenleving waar maar 1 cultuur is

b)

Een samenleving met 1 dominante cultuur

c)

Een samenleving met veel verschillende subculturen

d)

Samenleving van mensen met verschillende culturen en levensstijlen

24.

Als een subcultuur zich volledig aanpast aan de dominante cultuur, waardoor hun oorspronkelijke cultuur grotendeels verdwijnt is er sprake van

a)

internalisatie

b)

segregatie

c)

assimilatie

d)

integratie

25.

Een belangrijk verschil tussen een individualistische- en een collectivistische samenleving is:

a)

In een individualistische cultuur staat de vrouw centraal en in een collectivistische cultuur staat de man centraal

b)

In een individualistische samenleving wordt verwacht dat je voor jezelf zorgt en voor jezelf opkomst. In een collectivistische samenleving is de groep belangrijker dan het individu

c)

In een individualistische samenleving is het sluiten van compromissen moeilijk en in een collectivistische samenleving onderhandelen burgers vaker met elkaar

d)

In een individualistische samenleving is het normaal om risico's te nemen en in een collectivistische samenleving vermijd men risico's

26.

Op welke manier passen veel Nederlanders zich aan de nieuwkomers in Nederland aan?

a)

Ze leren de taal van de nieuwkomers.

b)

Ze eten de gerechten uit de landen van de nieuwkomers.

27.

In landen waar allochtonen en autochtonen delen van elkaars cultuur overnemen:

a)

is sprake van integratie

b)

is sprake van segregatie.

28.

Integratie betekent dat nieuwkomers:

a)

zich helemaal aanpassen aan de Nederlandse cultuur.

b)

zich gedeeltelijk aanpassen aan de Nederlandse cultuur.

29.

Integratie lukt alleen als er …. en tolerantie is voor elkaar. Welke woord hoort op de puntjes?

a)

respect

b)

stereotypen.

30.

Sommige allochtonen hebben moeite om te integreren in de Nederlandse samenleving. Welke mogelijke oorzaken zijn er?


1. Ze spreken matig Nederlands.

2. Ze worden gediscrimineerd.

a)

1 en 2 zijn juist.

b)

1 en 2 zijn onjuist

31.

Er ontstaan spanningen rond migratie omdat beide groepen het gevoel hebben iets te ....

a)

winnen

b)

verliezen

32.

Als groepen elkaar niet begrijpen ontstaan er ....

a)

vooroordelen

b)

ruzies

33.

Een groepsgevoel kan ontstaan op basis van een aantal dingen. Bekijk de afbeelding. Op basis waarvan is hier een groepsgevoel ontstaan?

a)

Plaats waar je woont

b)

Geloof

c)

Belangen of problemen

d)

Dezelfde smaak of interesses.

34.

welk begrip past bij voetbalrellen?

a)

groepsdruk

b)

sociale cohesie

c)

polarisatie

d)

groepsgevoel

35.

Sinds de eeuwwisseling is er in Nederland in toenemende maten sprake van

a)

sociale cohesie

b)

polarisatie

c)

conformisme

d)

gemeentelijke adhesie

36.

Wat betekent polarisatie?

a)

Demonstreren

b)

Tegenover elkaar staan, doordat tegenstellingen worden benadrukt

c)

Angst hebben voor vreemdelingen

d)

Angs voor verandering