wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

D2L6 - zinsontleding (instap)

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Er zijn slechts twee manieren om een persoonsvorm te vinden.

a)

juist

b)

fout

2.

Om het onderwerp (O) te vinden in een zin, stel je de vraag ‘Wie/Wat + PV?’

a)

juist

b)

fout

3.

Een zinsdeel kan je voor de PV zetten zonder dat de betekenis van je zin verandert.

a)

juist

b)

fout

4.

Een zinsdeel kan uit een of meer woorden bestaan.

a)

juist

b)

fout

5.

Een enkelvoudige zin heeft één onderwerp en kan meerdere persoonsvormen hebben.

a)

juist

b)

fout

6.

In samengestelde zinnen komen een of meer onderwerpen en/of bijbehorende vervoegde werkwoorden voor. In een samengestelde zin vind je vaak een voegwoord terug.

a)

juist

b)

fout

7.

Het werkwoordelijk gezegde (WWG) zegt wat het onderwerp doet en het naamwoordelijk gezegde (NWG) zegt wat het onderwerp is/wordt/blijft.

a)

juist

b)

fout

8.

Een naamwoordelijk gezegde kan een lijdend voorwerp hebben.

a)

juist

b)

fout

9.

Je kan het meewerkend voorwerp weglaten zonder de betekenis van de zin te veranderen.

a)

juist

b)

fout

10.

Het voorzetsel 'aan' of ‘voor' hoeft niet voor te komen bij het meewerkend voorwerp in de zin.

a)

juist

b)

fout

11.

Werkwoorden met een vast voorzetsel krijgen een voorzetselvoorwerp. Die vaste combinaties van werkwoorden en voorzetsels moet je kennen. Vaak drukken ze ook figuurlijke betekenissen uit. Belangrijk daarbij is dat je het voorzetsel kan weglaten.

a)

juist

b)

fout

12.

Een zin waarin het onderwerp de handeling van het gezegde uitvoert, noemen we een actieve zin. Een zin waarin het onderwerp de handeling ondergaat, noemen we een passieve zin.

a)

juist

b)

fout

13.

In een passieve zin kan een handelend voorwerp (HV) voorkomen. Het handelend voorwerp wordt ingeleid door ‘door’ en voert de handeling uit. Verander je een passieve naar een actieve zin, dan wordt het handelend voorwerp het onderwerp van de nieuwe zin.

a)

juist

b)

fout

14.

Een bijwoordelijke bepaling is een niet-noodzakelijk zinsdeel. Je kan het dus weglaten zonder de betekenis van de gehele zin al te veel te wijzigen.

a)

juist

b)

fout