wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 2 Planten BS 1 - 7 BKG

Total questions: 37

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Wat gebeurt er met de zaadlobben van een bruine boon tijdens de kieming en de eerste groei?

a)

De zaadlobben groeien uit tot het tweede paar bladeren

b)

De zaadlobben groeien uit tot kiemplantjes

c)

De zaadlobben nemen water op en barsten open

d)

de zaadlobben verschrompelen en vallen af

2.

In deze afbeelding zie je twee stadia uit de levenscyclus van een boonplant. Welke van deze planten stelt een volwassen boonplant voor?

a)

Geen van beide planten

b)

Alleen plant 1

c)

Alleen plant 2

d)

Beide planten

3.

Wat is het nut van de twee zaadlobben tijdens de groei van de kiemplant?

a)

Deze beschermen de bruine boon tegen uitdroging

b)

Deze vormen het nieuwe zaad

c)

Deze dienen als reservevoedsel

d)

Deze worden gebruikt voor de fotosynthese

4.

Hoe komen kruidachtige stengels aan hun stevigheid?

a)

Door hout

b)

Door kruiden

c)

Door water

d)

Door zwaartekracht

5.

Komen in alle delen van een plant vaten voor?

a)

Ja

b)

Nee, alleen in de stengels

c)

Nee, alleen in de stengels en bladeren

d)

Nee, alleen in de wortels en stengels

6.

In de afbeelding is een stengel van een plant getekend, enkele delen zijn genummerd. Welk nummer geeft een bladoksel aan?

a)

Nummer 1

b)

Nummer 4

c)

Nummer 3

7.

Welk van genummerde delen kan het volgende jaar uitgroeien tot een nieuw stuk stengel met bladeren (en bloemen).

a)

Alleen deel 1

b)

Alleen deel 2 en deel 3

c)

Zowel deel 1, deel 2 als deel 3

8.

Hoe heet deel 2?

a)

Bladmoes

b)

Bladsteel

c)

Zijnerf

d)

Bladskelet

9.

Hoe heet deel 4?

a)

Zijnerf

b)

Bladsteel

c)

Hoofdnerf

d)

Bladmoes

10.

Wat zijn de functies van wortelharen? (2 antwoorden)

a)

Doet aan fotosynthese

b)

Vergroot het oppervlak van de wortel

c)

Het opnemen van water

d)

Het maken van suikers

11.

Welke van deze twee planten groeit in een droog milieu?

a)

Plant 1

b)

Plant 2

c)

Allebei

d)

Geen van beide

12.

Welke stoffen heeft een plant nodig om fotosynthese te laten plaatsvinden?

a)

Glucose en koolstofdioxide

b)

Glucose en zuurstof

c)

Water en koolstofdioxide

d)

Water en zuurstof

13.

In deze afbeelding zie je een kas met planten, op welk moment van de dag zal de hoeveelheid zuurstof in de kas het grootst zijn?

a)

Er is altijd ongeveer evenveel zuurstof aanwezig

b)

Aan het begin van de ochtend is de hoeveelheid zuurstof het grootst

c)

Midden op de dag is de hoeveelheid zuurstof het grootst

d)

Aan het einde van de dag is de hoeveelheid zuurstof het grootst

14.

Hoe komt een plant die op het land groeit aan water? en hoe aan koolstofdioxide?

a)

Water wordt uit de bodem opgenomen, koolstofdioxide uit de lucht

b)

Water wordt uit de lucht opgenomen, koolstofdioxide uit de bodem

c)

Water en koolstofdioxide worden beide uit de bodem opgenomen

d)

Water en koolstofdioxide worden beide uit de lucht opgenomen

15.

Water + 1 + licht = 2 + zuurstof

Wat moet worden ingevuld bij 1? en wat bij 2?

a)

1=Glucose, 2=Voedingsstoffen

b)

1=koolstofdioxide, 2=glucose

c)

1=voedingsstoffen, 2=glucose

d)

1=voedingsstoffen, 2=koolstofdioxide

16.

Hoe heet onderdeel 5

a)

Bladmoes

b)

Bladskelet

c)

Bladstengel

d)

Hoofdnerf

17.

Welk orgaan heeft deze taak:

Nemen water en mineralen (voedingsstoffen) op uit de bodem, zetten de plant vast in de bodem.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

18.

Welk orgaan heeft deze taak:

Voor transport van stoffen en rechtop houden (stevigheid) van de plant.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

19.

Welk orgaan heeft deze taak:

Hier maakt een plant voedingsstoffen, dat heet fotosynthese.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

20.

Dit is selderij. Dit komt van een plant. Welk deel van de plant eet jij hier op?

a)

De wortels

b)

De stengel

c)

De bladeren

21.

In welk deel van de wortel wordt reservevoedsel vooral opgeslagen?

a)

Hoofdwortel

b)

Zijwortel

c)

Wortelhaar

d)

Stengel

22.

Dit is een rode biet. Wat rood is, kan je opeten. Welk deel van de plant eet je?

a)

De wortel

b)

De stengel

c)

De bladeren

23.

Wat is de functie van de wortelharen?

a)

Water en voedingsstoffen opnemen uit de grond

b)

Water en zuurstof opnemen uit de grond

c)

Zuurstof en suikers maken

24.

Wat is geen functie van wortels?

a)

De plant stevig vast zetten in de grond

b)

Water opnemen uit de grond

c)

Voedsel opnemen uit de grond

d)

Zuurstof maken

25.

Dit is spinazie. Dit komt van een plant. Welk deel van de plant eet je hier op?

a)

De wortel

b)

De stengel

c)

De bladeren

26.

Wat zie je bij nummer 1 tot 5?

a)

volwassen planten

b)

kieming

c)

fotosynthese

27.
Zet de volgende gebeurtenissen bij het kiemen van een zaad in volgorde.
1. De zaadlobben komen boven de grond.
2. Het worteltje komt naar buiten.
3. De zaadhuid scheurt open
a)
1-2-3
b)
3-2-1
c)
2-1-3
d)
3-1-2
28.
Een plant noem je volwassen op het moment dat er bloemen groeien. Uit deze bloemen ontstaan vruchten met zaden
a)
Juist
b)
Onjuist
29.

Asperge is een voedingsgewas waarvan de ... worden gegeten.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

30.

Rode kool is een voedingsgewas waarvan de ... worden gegeten.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

31.

In de afbeelding zie je een blad van een zomereik. Wat voor bladrand heeft een blad van een zomereik?

a)

Gezaagd

b)

Getand

c)

Gekarteld

d)

Gelobd

32.

In de afbeelding zie je blaadjes van hondsdraf. Wat voor bladrand heeft een blad van hondsdraf?

a)

Gezaagd

b)

Getand

c)

Gekarteld

d)

Gelobd

33.

In de afbeelding zie je bladeren van hulst. Wat voor bladrand heeft een blad van een hulst?

a)

Gezaagd

b)

Getand

c)

Gekarteld

d)

Gelobd

34.

In de afbeelding zie je blaadjes van liguster. Wat voor bladrand heeft een blad van een liguster?

a)

Gezaagd

b)

Getand

c)

Gaaf

d)

Gelobd

35.

In de afbeelding zie je een blad van een weegbree. Wat voor nervatuur heeft een blad van een een weegbree?

a)

Veernervig

b)

Handnervig

c)

Parallelnervig

36.

In de afbeelding zie je een blad van een beuk. Wat voor nervatuur heeft een blad van een beuk?

a)

Veernervig

b)

Handnervig

c)

Parallelnervig

37.

In de afbeelding zie je een blad van een klimop. Wat voor nervatuur heeft een blad van een klimop?

a)

Veernervig

b)

Handnervig

c)

Parallelnervig