wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Opkomst der steden

Total questions: 48

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Welke middeleeuwse fenomenen bestaan vandaag NIET MEER in België?

a)

Horigheid

b)

Slavernij

c)

Feodaliteit

d)

Domeinstelsel

e)

Landbouw

2.

Rijke kooplui die de steden bestuurden, noemen we:

a)

ambachtslui

b)

dagloners

c)

ambachtsmeesters

d)

patriciërs

3.

Het omgekeerde van ruraal

a)

landelijk

b)

stedelijk

c)

veldelijk

d)

agrarisch

4.

a)

manufactuur

b)

fabriek

c)

ambachtsplaats

d)

jaarmarkt

5.

Wat was GEEN gemarginaliseerde groep in de middeleeuwen?

a)

heksen

b)

homoseksuelen

c)

joden

d)

melaatsen

e)

patriciërs

6.

Periferie

a)

centrum

b)

rand

c)

kern

7.

Wat hoort NIET in het rijtje

a)

politiek

b)

economisch

c)

cultureel

d)

sociaal

e)

ruraal

8.

Verzamelnaam voor burgers die het recht hadden om binnen de poorten van een plaats met stadsrechten te wonen

a)

poorters

b)

boeren

c)

patriciërs

d)

clerus

e)

schepenen

9.

Een stedelijke wachttoren waar de stadsrechten of keuren in bewaard werden

a)

belfort

b)

gravenkasteel

c)

lakenhalle

d)

stapelplaats

e)

gemeentehuis

10.

Wat was ca. 1000 de motor van de middeleeuwse economie?

a)

overzeese handel

b)

luxehandel

c)

roofbouw

d)

landbouw

e)

slavenhandel

11.

Mensen die in de stad met hun handen werken. Zij hebben beroepen zoals schoenmaker, strontveger, timmerman of smid.

a)

ambachtslui

b)

patriciërs

c)

handelaars

d)

boeren

e)

horigen

12.

Duid alle oorzaken van verstedelijking aan.

a)

ambachtslui

b)

bevolkingsgroei

c)

einde van de raids

d)

nieuwe landbouwtechnieken

e)

langdurige oorlogen

13.

Waarom was de nabijheid van land- en waterwegen een voordeel voor steden? (2 antwoorden aanduiden)

a)

aanvoer grondstoffen

b)

export afgewerkte producten

c)

recreatie

d)

visserij

e)

kajakken

14.

Waarom was de nabijheid van een burcht een extra troef voor opkomende steden?

a)

veiligheid

b)

handel

c)

export

d)

import

e)

belastingen

15.

Wanneer ontstonden de eerste grote nederzettingen (vroege steden) in West-Europa?

a)

1000 - 1200

b)

1200 - 1400

c)

1400 - 1600

d)

750 - 900

16.

Er werd ca. 1000 meer opbrengst uit landbouw gehaald. Duid alles aan wat hiermee te maken heeft.

a)

ontginningen

b)

meer bemesting

c)

drieslagstelsel

d)

wisselteelt

e)

verbeterde werktuigen

17.

Er werd ca. 1000 meer opbrengst uit landbouw gehaald. Duid alles aan wat hiermee te maken heeft.

a)

ontginningen

b)

minder bemesting

c)

karploeg

d)

vruchtwisseling

e)

verbeterde werktuigen

18.

Welke beroepen zijn geen ambachten?

a)

barbier

b)

slager

c)

brouwer

d)

informaticus

e)

consultant

19.

Ambacht heeft twee betekenissen. Duid ze aan.

a)

gilde

b)

werk waarbij je iets met je handen maakt

c)

Werk waarbij je bepaalde producten verhandelt

d)

werk dat je door anderen laat doen

20.

belangenvereniging van vakgenoten

a)

gilde

b)

patriciaat

c)

clerus

d)

belfort

e)

keure

21.

Ander woord voor beschermheilige

a)

schutspatroon / patroonheilige

b)

gilde

c)

ambachtsmeester

d)

drieslagstelsel

22.

Duid alles aan wat met gilden te maken heeft.

a)

patroonheilige

b)

mensen met hetzelfde beroep

c)

afspraken over prijs en kwaliteit

d)

marginalen

e)

handelaars

23.

Middeleeuws grondplan in de Lage Landen

a)

concentrisch

b)

rooilijn

c)

dambordpatroon

d)

nieuwbouw verkaveling

24.

Middeleeuwse steden waren over het algemeen (...) dan onze steden vandaag.

a)

kleiner

b)

groter

c)

properder

d)

beter aangelegd

25.

Deze lijn grenst de openbare weg af van de bebouwing en bepaalt tot waar mensen hun huizen mochten bouwen.

a)

rooilijn

b)

dooilijn

c)

rioollijn

d)

rooplijn

26.

grondplan waarbij twee of meer wegen elkaar kruisen in het centrum, het middelpunt van de stad.

a)

dambordpatroon

b)

schaakbordpatroon

c)

ganzenbordpatroon

d)

radiaal-concentrisch

27.

Duid alle voorbeelden aan van mogelijke privileges die een stad kon hebben.

a)

tol heffen

b)

omwallingen bouwen

c)

zelf recht spreken

d)

oorlog voeren

28.

De privileges van een stad werden opgeschreven en bijgehouden in een ...

a)

stadskeure

b)

stadscontract

c)

keurig contract

d)

belfortkoer

29.

Vanaf wanneer kwam de maritieme handel op gang?

a)

14de eeuw

b)

13de eeuw

c)

16de eeuw

d)

12de eeuw

30.

Welke stad was ca. 1400 het handelsknooppunt van de maritieme handel in NW-Europa?

a)

Constantinopel

b)

Brugge

c)

Londen

d)

Gent

e)

Parijs

31.

Een vorm van handel waarbij de handelaar of koopman persoonlijk de schepen en/of zijn koopwaar vergezelt

a)

actieve handel

b)

passieve handel

c)

maritieme handel

d)

Hanze

32.

Een vorm van handel waarbij de handelaar een kantoor heeft en een vertegenwoordiger laat reizen met stalen van goederen die besteld kunnen worden.

a)

actieve handel

b)

passieve handel

c)

maritieme handel

d)

Hanze

33.

Welke stedelijke bevolkingsgroep had ca. 1300 het meeste macht?

a)

patriciërs

b)

ambachtsmeesters

c)

dagloners

d)

gezellen

e)

Joden

34.

Alleenstaande vrouwen die met andere vrouwen samenwonen, noemen we:

a)

heksen

b)

begijnen

c)

monniken

d)

prostituees

35.

De belangrijkste kerk van een bisdom

a)

klooster

b)

abdij

c)

parochiekerk

d)

kathedraal

e)

basiliek

36.

Een gebouw dat zijn oorsprong kent in de middeleeuwen als handels- en stapelplaats van laken.

a)

stapelhuis

b)

lakenhalle

c)

laken-atelier

d)

kathedraal

e)

vroonhof

37.

Belangrijkste jaarmarkten

a)

Jaarmarkten van Brugge

b)

Jaarmarkten van Champagne

c)

Jaarmarkten van Brussel

d)

Jaarmarkten van Bordeaux

38.

Dé ontmoetingsplek voor handelaars uit Noord- en Zuid-Europa en de belangrijkste plaats voor de handel in luxeproducten

a)

Jaarmarkten van Brugge

b)

Jaarmarkten van Champagne

c)

Jaarmarkten van Brussel

d)

Jaarmarkten van Bordeaux

39.

De wisselbrief associëren we met ...(duid drie zaken aan)

a)

Italiaanse handelaars

b)

Turkse handelaars

c)

13de eeuw

d)

10de eeuw

e)

geldwisselaar

40.

Handelaars van verschillende steden werkten samen in een (...)

a)

Hanze

b)

ambacht

c)

vakbond

d)

manufactuur

41.

Vlaamse steden die het monopolie hadden om handel te drijven met Engeland en Schotland

a)

De Vlaamse Hanze van Londen

b)

De Duitse Hanze

c)

De West-Vlaamse Hanze van Yorkshire

d)

De Hanze van de Zeventien Steden

e)

De Engelse Hanze der Vlaamse kooplui

42.

Waar was de verstedelijking het grootst?

a)

Zuidelijke Nederlanden

b)

Noordelijke Nederlanden

c)

Frankrijk

d)

Engeland

e)

Duitsland

43.

Noem een Vlaams (internationaal) exportproduct dat in de middeleeuwen zeer bekend was.

a)

marsepein

b)

bier

c)

chocolade

d)

frieten

e)

laken

44.

Duid alles aan wat met gilden te maken heeft

a)

monopolie

b)

ambacht

c)

stad

d)

vrije markt

e)

eerlijke concurrentie

45.

Geef de belangrijkste voorwaarde waarom de overzeese handel op gang kwam

a)

zeewaardige schepen

b)

vaarbrevet

c)

Hanze

d)

koopmansgilden

46.

Duid twee Vlaamse steden aan die ca. 1300 meer dan 40.000 inwoners telden

a)

Brugge

b)

Antwerpen

c)

Gent

d)

Brussel

e)

Ieper

47.

Op welke manier kregen joden het hard te verduren in Europese steden in de middeleeuwen

a)

verbod op bekleden publieke functies

b)

verbod lidmaatschap ambachten

c)

vervolging

d)

verbod op bankieren

e)

verbod op het Oude Testament

48.

Duid drie moeilijkheden aan bij het betalen met munten in de internationale handel

a)

veel van nodig

b)

wisselkoers

c)

onveilig

d)

wisselbrieven

e)

moeilijk te belasten