wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord

Total questions: 16

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het lidwoord in deze zin?

Een cadeau is eergisteren door mijn moeder aan Kees gegeven.

a)

een

b)

cadeau

c)

moeder

d)

Kees

2.

Wat is het lidwoord in deze zin?

Wie kon het glas limonade vanochtend niet drinken?

a)

wie

b)

kon

c)

het

d)

glas

3.

Wat is het lidwoord in deze zin?

Een barbecue wilden ze verleden week kopen voor die jarige collega.

a)

een

b)

ze

c)

voor

d)

die

4.

Wat is het lidwoord in deze zin?

De heer Hoogveld moet lang ambtenaar zijn geweest.

a)

de

b)

heer

c)

zijn

d)

geweest

5.

De of het?

... staatsburger

a)

de

b)

het

6.

De of het?

... structuur

a)

de

b)

het

7.

De of het?

... contrast

a)

de

b)

het

8.

De of het?

... tegemoetkoming

a)

de

b)

het

9.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

De directeur stemde in met het ontslag.

a)

de

b)

directeur

c)

directeur en ontslag

d)

ontslag

10.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

Is Harry ook geschrokken van die aardbeving in Japan?

a)

Harry

b)

aardbeving

c)

Japan

d)

Harry en aardbeving

e)

Harry, aardbeving en Japan

11.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

De meisjes waren trots op hun mooie rapporten.

a)

meisjes

b)

mooie

c)

rapporten

d)

meisjes en mooie

e)

meisjes en rapporten

12.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?

De moeder heeft alsnog gehuild om haar verloren ring.

a)

de

b)

moeder

c)

moeder en verloren

d)

moeder en ring

e)

ring

13.

Wat zijn de bijvoeglijke naamwoorden in deze zin?

Die oude vrouw zou alsnog een nieuwe woning kunnen krijgen.

a)

die

b)

oude

c)

vrouw en woning

d)

oude en nieuwe

e)

nieuwe

14.

Wat zijn de bijvoeglijke naamwoorden in deze zin?

Die slordige man bleek de eigenaar van de winkel te zijn.

a)

die

b)

slordige

c)

slordige en man

d)

eigenaar en winkel

e)

winkel

15.

Wat zijn de bijvoeglijke naamwoorden in deze zin?

De legionairs waren hondstrouw aan Caesar.

a)

de

b)

legionairs

c)

hondstrouw

d)

Caesar

16.

Wat zijn de bijvoeglijke naamwoorden in deze zin?

Maten zijn voor deze scholieren heel makkelijk.

a)

maten

b)

deze

c)

scholieren

d)

makkelijk