wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 2: Voeding en vertering

Total questions: 21

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Tik alle plantaardige voedingsmiddelen aan.

a)

Eieren

b)

Spinazi

c)

Zonnebloemolie

d)

Zalmfilet

2.

Tik alle dierlijke voedingsmiddelen aan

a)

Eieren

b)

Melk

c)

Biefstuk

d)

Brood

3.

Welke beschrijving past het beste bij: Deze stoffen leveren energie voor beweging, het op peil houden van de temperatuur en groei, ontwikkeling & herstel

a)

Brandstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Reservestoffen

d)

Beschermende stoffen

4.

Welke beschrijving past het beste bij: Deze stoffen zorgen voor de vorming van cellen en weefsels (vooral bij groei, ontwikkeling en herstel van het lichaam)

a)

Brandstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Reservestoffen

d)

Beschermende stoffen

5.

Welke beschrijving past het beste bij: Deze stoffen zorgen ervoor dat je gezond blijft

a)

Brandstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Reservestoffen

d)

Beschermende stoffen

6.

Vul in: Voedingsvezels zijn alle onverteerbare stoffen in [****'] voedsel

a)

plantaardig

b)

dierlijk

7.

Welke voedingsstof past het beste bij: vooral brandstof maar ook bouwstof en bij een teveel als reservestof. Ze worden opgeslagen onder de huid.

a)

Eiwitten

b)

Koolhydraten

c)

Vetten

d)

Mineralen

8.

Welke voedingsstof past het beste bij: vooral als bouwstof maar kan ook als brandstof dienen. Een teveel wordt opgeslagen als reservestof.

a)

Eiwitten

b)

Koolhydraten

c)

Vetten

d)

Mineralen

9.

Welke voedingsstof past het beste bij: vooral als brandstof maar ook als bouwstof en reservestof. Komt bijvoorbeeld in suikers en brood voor.

a)

Eiwitten

b)

Koolhydraten

c)

Vetten

d)

Mineralen

10.

Welke voedingsstof past het beste bij: heeft als functie bouwstof en beschermende stof. Er bestaan verschillende varianten zoals A, C, D, K, Etc.

a)

Koolhydraten

b)

Water

c)

Vitaminen

d)

Mineralen

11.

Tik de 2 voedingsstoffen aan die niet verteerd hoeven te worden en dus meteen kunnen worden opgenomen in het bloed.

a)

Glucose

b)

Water

c)

Koolhydraten

d)

Eiwitten

12.

Tik de 2 voedingsstoffen aan die wel verteerd moeten worden en dus niet meteen opgenomen kunnen worden in het bloed

a)

Vetten

b)

Eiwitten

c)

Glucose

d)

Mineralen

13.

Welke tand/kies zorgt ervoor dat voedsel fijngemalen wordt?

a)

Kiezen

b)

Snijtanden

c)

Hoektanden

d)

Melktanden

14.

Wat is de naam van orgaan 7

(a)  

15.

Wat is de naam van orgaan 2

(a)  

16.

Wat is de naam van orgaan 9

(a)  

17.

Wat is de naam van orgaan 12?

(a)  

18.

Hoe heet het orgaan dat verantwoordelijk is voor: het voedsel verplaatsen van de mond naar de maag

(a)  

19.

Hoe heet het orgaan dat verantwoordelijk is voor: gal produceren en vetten emulgeren

(a)  

20.

Hoe heet het orgaan dat verantwoordelijk is voor: verzamelen en tijdelijk opslaan van onverteerbare voedselresten (ontlasting)

(a)  

21.

Dit gedeelte is de afsluiting van de mond- en keelholte en zorgt ervoor dat je jezelf niet makkelijk verslikt.

a)

De huig

b)

Het strottenklepje